Val

Wie was ik en ben ik? In een serie korte verhalen onderwerpt schrijver Nicolaas Matsier zich aan een zelfonderzoek.

Illustratie Cyprian Koscielniak
Illustratie Cyprian Koscielniak

Er zijn momenten dat je met het ene been nog in de droom staat en met het andere gewoon in bed ligt, half wakker geworden. De verschrikking duurt nog even in volle omvang voort, maar het begint tot je door te dringen dat het een boodschap was uit de wereld van het alsof.

De droom kon niet meer dan een paar seconden geduurd hebben. Wij liepen ergens in de bergen, mijn vrouw wat verder weg, voorop. Ik achteraan. Onze jongste dochter liep tussen ons in, rechts van ons. Ik keek naar haar. Zij liep op een richel, toch al gewaagd. Ik hield haar in het oog. Ze draaide zich om en begon achteruit te lopen. Ze viel en verdween. Mijn hart stond stil. Ik wierp me op de grond en bad terwijl zij nog viel of al gevallen was hardop tot God de Vader en God de Zoon om een wonder. Geen twijfel aan of zij was haar dood tegemoet gesuisd, vanaf de richel, langs de loodrechte helling.

Ik voelde, zo kort na het ontwaken, de droom nog even zo scherp als eerste en enige werkelijkheid dat ik bijna in tranen uitbarstte. Tijdens het ontbijt sprak ik over de droom met mijn vrouw. Ten eerste was daar de omkering. Het was mijn vrouw die hoogtevrees had en niet ik. Zelfs in die mate dat zij liever niet had dat wij met het hele gezin hetzelfde vliegtuig namen. Bovendien was ik het die in de bergen gewoonlijk voorop had gelopen, met mijn oudste dochter, die in deze droom niet voorkwam.

De jongste dochter – niet helemaal zonder verzet, toen zij klein was, tegen wandeltochten – was van ons vieren het meest atletisch. Zij kon op haar handen staan en de radslag maken. Later heeft zij jarenlang met talent de Braziliaanse vechtdans capoeira beoefend.

Het is ook de dochter over wie vooral ik me tijdens haar schooltijd de meeste zorgen heb gemaakt. De niet helemaal denkbeeldige zorgen van ouders in een grote stad. Wij waren wel eens een beetje bang voor de kringen waarin ze verkeerde. Of om precies te zijn voor de stap of het stapje van soft- naar harddrugs. Waar dan bij mijzelf de overtuiging achter zat dat ik niet meer in leven zou zijn als ik aan drugs was begonnen. Misschien dat ik tot in die overtuiging overdreef.

Deze droom was, zo voelde ik het, de ergste die ik ooit had gehad. Waarom, vroegen we ons al ontbijtend af, doet een mens zichzelf zoiets aan? Diende zo’n verschrikkelijke droom misschien toch een heilzaam doel? Deed hij in feite net zoiets als een examendroom? We begonnen het te denken.

Daags tevoren heeft de dochter die het onderwerp of het lijdend voorwerp van mijn droom was nu juist een stuk gepubliceerd dat er wezen mag. En juist in de afgelopen weken hebben zij en haar oudere zus, voor het eerst en tot ons enorme plezier, gesproken over het krijgen van kinderen. Was dit dan misschien, of ga ik nu te ver, de passage van een vaderlijke angst van ooit naar een grootvaderlijke van nu? Maar ik kan verklaren wat ik wil, de beklemming van de droom van zo kort geleden ligt nog als een deken over me heen.