‘Uitbuiting is altijd van oorsprong seksueel’

De regisseur verfilmde ‘Journal d’une femme de chambre’. „In Frankrijk ontstond het fascisme.”

Léa Seydoux speelt in Benoit Jacquots Journale d'une femme de chambre het broeierige dienstmeisje Célestine dat in Normandië eind 19de eeuw haar plaats in de sociale hiërarchie vindt.
Léa Seydoux speelt in Benoit Jacquots Journale d'une femme de chambre het broeierige dienstmeisje Célestine dat in Normandië eind 19de eeuw haar plaats in de sociale hiërarchie vindt.

Twee keer eerder is de schandaalroman Journal d’une femme de chambre (1900) van Octave Mirbeau al verfilmd, en niet door de eersten de besten: Jean Renoir verfilmde de roman in 1946 in Hollywood met Paulette Goddard in de hoofdrol, in 1964 volgde Luis Buñuel met Jeanne Moreau als het kamermeisje. Dat weerhield de Franse regisseur Benoît Jacquot (Parijs, 1947) er niet van om daar nog een sterke, nieuwe verfilming aan toe te voegen.

Léa Seydoux (La vie d’Adèle, de nieuwe Bondfilm) speelt Célestine: de hulp in de huishouding uit Parijs die in de krochten van de Franse provincie belandt, en daar te maken krijgt met een hitsige heer des huizes, een ijskoude bazin en tuinman Joseph (Vincent Lindon): een fanatieke antisemiet die een mysterieuze aantrekkingskracht op haar uitoefent. Jacquot leidt het verhaal terug naar de oorsprong: de roman van de anarchist Mirbeau is een woeste aanval op de hypocrisie van de Franse burgerij in het tijdperk van de Dreyfus-affaire: de joodse officier die ten onrechte werd beschuldigd van spionage en landverraad.

Dit is een beroemd boek, er zijn al twee eerdere films, en vele toneelbewerkingen van gemaakt. Waarom nog een film?

„Ik had het boek nog nooit gelezen, maar de twee eerdere films, van Renoir en Buñuel, kende ik goed. Ik heb nooit gedacht dat ik zelf nog een derde versie zou maken. Maar toen ik het boek las drong het idee zich als het ware aan me op. Ik was ook niet bang voor de vergelijking met de eerdere films, omdat die twee versies onderling zo verschillend zijn. Ik dacht dat mijn versie bijna vanzelf ook wel weer anders zou worden.

„Mijn film blijft dichter bij de roman, en ook dichter bij de historische periode waarin de roman zich afspeelt. Maar je bent gedwongen om keuzes te maken, want als je de hele roman zou willen verfilmen, zou je een film van vier, vijf uur moeten maken. Je zou nog twee of drie heel andere films van dit boek kunnen maken.

„Ik leg de nadruk op de verhouding van Célestine, het kamermeisje, met Joseph, de tuinman en antisemiet. Die verhouding is de basis van de hele film. Ook wilde ik het accent leggen op de talloze overeenkomsten en echo’s tussen de tijd waarin het verhaal zich afspeelt, en tijd waarin we nu leven. We leven nu in heel Europa, maar zeker ook in Frankrijk, in een tijdperk met een enorme opleving van het populisme. Dat roept herinneringen op aan de periode waarin dat populistische denken is ontstaan, in Frankrijk in de tijd van de Dreyfus-affaire. Het moderne xenofobe discours is ontstaan in Frankrijk aan het begin van de twintigste eeuw en pas daarna overgenomen in Duitsland. Maar de meeste Fransen willen dat niet weten. Juist in Frankrijk heeft dat vroege fascisme vorm, structuur en een sociale inbedding gekregen. Fransen weigeren vaak dat onder ogen te zien.

„De sleutel was voor mij het personage van Célestine: een kamermeisje dat weigert om zich neer te leggen bij haar ondergeschikte positie in de samenleving, maar door haar drang naar vrijheid juist steeds dieper wegzinkt. Haar personage interesseert me evenzeer als de sociale en politieke context. Juist in haar illusie van vrijheid komen het personage en de sociale context bij elkaar.”

Een hang naar vrijheid, zegt u, maar Célestine zegt in de film ook dat mensen zoals zij ‘de onderdanigheid in hun bloed’ hebben.

„Dat komt direct van Mirbeau. Dat vind ik heel mooi gezegd. Om je hele leven onderdanig te kunnen zijn aan anderen, daarvoor moet je die onderdanigheid als iets natuurlijks en vanzelfsprekends gaan beschouwen, als iets wat uit jezelf voortkomt: zelfgekozen onderdanigheid.”

Is Célestine als personage nog relevant? Nog waar weinig mensen hebben tegenwoordig zo’n inwonend kamermeisje.

„Denkt u? Bij de gegoede burgerij van Frankrijk lopen nog steeds veel huishoudelijke hulpen rond. Dat is nu alleen minder zichtbaar. Ze komen ook niet meer uit de Franse provincie, maar zijn afkomstig uit Marokko, Tunesië of Sri Lanka.”

Het gaat in de film niet alleen om uitbuiting in het algemeen, maar om seksuele uitbuiting van het kamermeisje.

„Alle vormen van uitbuiting zijn van oorsprong seksueel. Sociale onderdrukking en uitbuiting komen voort uit onbewuste seksuele driften, wat Freud het libido noemde. Dat is bijna een cliché.”

Waarom koos u voor Léa Seydoux, met wie u al eerder hebt samengewerkt? Ze laat weinig emotie zien.

„Ze gaat altijd heel economisch te werk. Ze houdt heel veel achter. Ze probeert het maximale uit een scène te halen met de meest bescheiden middelen. Dat bevalt me heel goed: maximale waarachtigheid, minimaal effectbejag. Ze brengt ook iets ironisch in de rol, iets koppigs. Zo was het scenario ook geschreven, maar je weet nooit of een actrice dat oppikt.”

Vincent Lindon, die de antisemiet speelt, is zelf joods. Heeft u daar bij stilgestaan toen u hem vroeg voor de rol?

„Daar heb ik veel over nagedacht. Hij komt uit een bekende joodse familie in Frankrijk. Veel van zijn familieleden hebben de Tweede Wereldoorlog niet overleefd. Dat uitgerekend hij een antisemitisch monster speelt, geeft een zeker effect van vervreemding. Dat gaat ook op voor Léa Seydoux, die uit een heel welvarend milieu komt, en hier een kamermeisje speelt. Niet dat de meeste bioscoopbezoekers daar bij stil zullen staan, maar voor de fijnproevers is dat interessant.”