Als witte vrouw in de zwarte kerk

Afgelopen zondag ging ik in Harlem, New York een kerk binnen. Ik hoefde alleen goedemorgen te glimlachen en kreeg een plek toegewezen. Niets aan de hand.

Ik merkte dat het vaderdag was, mannen werden gefeliciteerd. Voor mij zat een vader met zijn dochter en zoon. Ze maakten selfies voor pop, opa. Omdat ik achter hem zat, een rij hoger, zag ik mijn witte zelf gefotografeerd worden in dit gezin. Ik was een beetje rood ook, verhit van de klamme City en de klim op de trap in de concertzaalachtige kerk.

Het was de eerste rustdag nadat Dylann Roof in Charleston, South Carolina negen kerkgangers doodschoot. Bij het bidden werd mijn hand zonder aarzelen vastgepakt door de vrouw naast me. Met Jezus of God krijg ik nooit contact, wel voelde ik me welkom.

In het vliegtuig naar de VS zat ik naast Kareem met een Arabische achternaam. Zijn incheck duurde lang, zijn Harvard-diploma is geen paspoort.

Ik moest denken aan de clubportier die zijn deurbeleid uiteenzette: donkere types komen niet binnen. Hij was het er niet mee eens, maar uiteindelijk camoufleert gewoonte manke logica.

De pastoor draaide er niet omheen. Hij liet zijn hoofd zakken en bracht honderden kerkgangers in gedachten naar het zuiden, naar Charleston. Wat hem woedend maakte, was hoe er over de schutter werd bericht. Roof zou ‘geestesziek’ zijn en daarmee geen ‘terrorist’. „Als racisme een geestesziekte is, dan waren onze Founding Fathers geestesziek.”

Ik wilde een slokje water en ritste mijn rugzak stilletjes open, stak mijn (witte) hand naar binnen, graaide tussen mijn spullen.

Een Amerikaanse collegestudent vertelde me eens dat hij zijn handen op het stuur legt wanneer er politie voorbij rijdt. Zijn vader leerde hem: altijd je (zwarte) handen tonen, anders denken ze misschien dat je een wapen pakt.

Snel, of nee langzaam, of beter toch snel, haalde ik mijn mogelijk verdachte hand uit mijn tas.

De pastoor vervolgde: „Roof haalde de trekker over, maar hij was niet degene die het wapen laadde. De taal die de schutter gebruikte – ‘jullie verkrachten onze vrouwen en nemen het land over’ – was niet de taal van een 21-jarige in de 21e eeuw. Dat geweer was geladen met jaren van segregatie, van economische ongelijkheid.”

De pastoor legde een hand op het hart: „Ik houd van dit land. Daarom bekritiseer ik het.”

De beste critici gaan gewapend met liefde.

Hij verwees naar de ‘Black Lives Matter’ beweging. „Zwarte levens zijn áltijd belangrijk geweest.”

Er werd geklapt, sommigen riepen ‘Amen’ of ‘Go pastor’, maar hij bedoelde iets anders: „In een natie van vrije economie hebben zwarte lichamen altijd waarde gehad: hoe meer zwarte lichamen je bezat, hoe rijker je was. ‘Zwarte levens’ doen er niet toe, jouw leven doet ertoe!”

Elk bijvoeglijk naamwoord voor leven is een reductie.