‘Passing’ van zwart naar wit loopt in films zelden goed af

Het zal vermoedelijk niet lang meer duren voordat de eerste film zal worden aangekondigd over de zaak van Rachel Dolezal: de Amerikaanse burgerrechtenactiviste die door het leven ging als zwart, maar blank bleek te zijn. Dolezal moest terugtreden als voorzitter van haar plaatselijke afdeling van de National Association for the Advancement of Colored People, maar toonde geen berouw over haar bedrog: „Uiteindelijk komen we allemaal uit Afrika.”

Je uitgeven voor iemand met een andere afkomst is bepaald niet nieuw. Maar historisch gezien verliep de route meestal andersom: zwarte Amerikanen die zich uitgaven voor wit, om zo te ontsnappen aan rassenhaat, discriminatie en achterstelling. Het verschijnsel ‘passing’ is zo oud als de Verenigde Staten zelf, en duikt al op in romans en verhalen in de negentiende eeuw.

Film liet niet lang op zich wachten. Uit 1934 stamt het melodrama Imitation of Life, over de vriendschap tussen een blanke weduwe en haar zwarte huishoudster, van wie de licht gekleurde dochter niet wil weten dat ze zwart is – en zo haar moeders hart breekt. Bekender is de remake die Douglas Sirk in 1959 van de film maakte. Films over ‘passing’ zijn er in alle soorten en maten; van prestigieus, Oscarwaardige drama zoals Pinky (Elia Kazan, 1949), dat gaat over een vrouw die voor wit kan doorgaan en die het land en het huis van haar werkgeefster erft, tot consternatie van haar racistische dorpsgenoten.

Uit 1960 stamt de sensatiezuchtige B-film I Passed For White, gebaseerd op memoires van Reba Lee (een pseudoniem), die zwart Chicago verruilt voor wit New York. Ze trouwt met een witte man, maar haar precaire nieuwe identiteit wankelt als ze zwanger raakt en niet weet of haar kind donker of licht van huidskleur zal zijn.

‘Passing’ van wit naar zwart in films is zeldzamer, maar geen totaal onbekend verschijnsel. Journalist John Howard Stewart reisde vermomd als zwarte man door het zuiden van de Verenigde Staten, om discriminatie en racisme aan den lijve te kunnen ondervinden en schreef er in 1961 een boek over: Black Like Me, drie jaar later verfilmd.

‘Passing’ raakt aan de Amerikaanse mythe bij uitstek van het land dat iedereen de mogelijkheid biedt zichzelf opnieuw uit te vinden. En de grenzen daarvan. In films leidt dat ‘wisselen’ meestal tot veel pijn en tranen. Maar niet altijd is duidelijk of daar nu een progressieve of conservatieve boodschap mee is gemoeid: is ‘passing’ slecht omdat zo op slinkse wijze de natuurlijke en maatschappelijke orde wordt doorbroken, of is de boodschap juist dat iedereen trots kan zijn op zijn afkomst, wat die afkomst ook mag zijn?