Milieu bespieden van 786 km hoogte

Een netwerk van Europese satellieten ziet veranderingen op het aardoppervlak. Geavanceerd milieubeleid.

Satellietopnames brengen ontbossing in kaart, zoals in het Amazonegebied tussen 1999 en 2010. De Sentinel-satellieten kunnen straks veel meer details tonen.
Satellietopnames brengen ontbossing in kaart, zoals in het Amazonegebied tussen 1999 en 2010. De Sentinel-satellieten kunnen straks veel meer details tonen. Foto CNES

Verdwijnen ergens in het hart van het Amazonegebied op grote schaal bomen? Bloeit de blauwalg in een uithoek van het Veluwemeer? Breidt de malariamug zijn leefgebied uit? Dreigt in het zuidoosten van Frankrijk de druivenoogst te mislukken door de droogte? Groeit een Chinese megastad langzaam uit zijn voegen?

Vanaf een hoogte van 786 kilometer probeert de Europese satelliet Sentinel-2A, die sinds gisteren in een baan om de aarde draait, dit soort zaken in de gaten te houden door allerlei gegevens te combineren. Iedere drie tot vijf dagen brengt de Sentinel-2A bijna elke vierkante kilometer van het aardoppervlak in beeld. Zo wordt de toestand van de planeet zorgvuldig gecontroleerd en iedere opvallende verandering in kaart gebracht.

Netwerk van milieusatellieten

De Sentinel-2A en zijn tweelingbroer Sentinel-2B – die in het najaar van 2016 wordt gelanceerd – gaan deel uitmaken van een netwerk van minimaal veertien maar mogelijk twintig observatiesatellieten van de Europese ruimtevaartorganisatie ESA. Ze worden gebruikt voor Copernicus, een ambitieus milieuprogramma van het Europese milieuagentschap EEA waarvoor tot 2020 ongeveer 8 miljard euro beschikbaar is.

Copernicus, dat aanvankelijk Global Monitoring for Environment and Security (GMES) heette, is sinds 1998 actief. Aanvankelijk werd gebruikgemaakt van satellietgegevens van de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA en van onder meer metingen op de grond. Sinds vorig jaar is daar de informatie van het eerste paar Sentinel-satellieten bij gekomen, maar die geven slechts radarbeelden.

De nieuwe satelliet is uitgerust met krachtige optische camera’s, die het volledige kleurenspectrum in beeld brengen en ook infraroodopnames kunnen maken. Europa krijgt volgens ESA-directeur Jean-Jacques Dordain daarmee de beschikking over „de uitgebreidste verzameling gegevens over milieu en veiligheid ter wereld”.

Die gegevens kunnen helpen om klimaatverandering te bestrijden. Ook helpt de informatie om snel te kunnen reageren op een natuurramp, zoals de bodemgesteldheid na een aardbeving in kaart brengen of de beste plek vinden voor een vluchtelingenkamp.

Volgens de leider van het aardobservatieprogramma van de ESA, Volker Liebig, zal Copernicus echter vooral een rol spelen bij de voedselvoorziening. Dat wordt steeds belangrijker nu de wereldbevolking rond 2020 waarschijnlijk de acht miljard mensen passeert terwijl door klimaatverandering en verstedelijking water en landbouwgrond alleen maar schaarser worden.

Copernicus moet helpen de voedselvoorziening duurzamer te maken. Dat kan door gegevens te combineren. Neem kweekvis, die steeds belangrijker wordt om overbevissing te bestrijden. Alleen al in de EU gaat in de aquacultuur jaarlijks meer dan 3 miljard euro om. Maar aan viskwekerijen in open water zijn grote risico’s verbonden. De satellieten van Copernicus kunnen ‘zien’ of het water zuurstofrijk genoeg is, of er een kwallenplaag aan komt en zelfs of de viskwekerij het kustwater vervuilt of ziektes verspreidt die een gevaar vormen voor het zeeleven.

De satellieten maken om de paar dagen een beeld van precies hetzelfde gebied, tot een breedte van 290 kilometer. De informatie wordt vrij beschikbaar. „De camera’s werken met licht van dertien spectrale bandbreedtes, waaronder vier in de zogenoemde rode rand, waar planten en bladgroen bijvoorbeeld licht reflecteren”, aldus Liebig na de lancering van de Sentinel-2A. „Dat laat ons precies zien wat er met planten gebeurt.”