Herinneringsplek achter de tramhalte

Amsterdam herdenkt de Jodenvervolging op tal van plaatsen. Toch zou er ruimte zijn voor een extra museum.

Een herdenkingsbijeenkomst in de voormalige Hollandse Schouwburg in Amsterdam, in 1984. In de schouwburg werden vanaf augustus 1942 duizenden joden samengebracht voor deportatie.
Een herdenkingsbijeenkomst in de voormalige Hollandse Schouwburg in Amsterdam, in 1984. In de schouwburg werden vanaf augustus 1942 duizenden joden samengebracht voor deportatie. Foto ANP

Een Sjoa Museum op de plek waar duizenden Amsterdamse joden werden samengedreven om te worden weggevoerd. Een museum dat met lezingen, films, exposities, muziek en samenkomsten het verhaal vertelt van uitsluiting, deportatie en moord op de 80.000 joden uit Amsterdam. Maar ook een hoopvolle plek, omdat daar veel Joodse kinderen zijn gered.

Alles bijeen is dat de ambitie van het Nationaal Sjoa Museum, dat gisteren in Amsterdam werd gelanceerd. Het bestaat uit twee, eigenlijk drie bestaande gebouwen en plekken. Om het plan te realiseren is 21 miljoen euro nodig. Inmiddels is 2 miljoen binnen; 1 miljoen van het VFonds (Nationaal fonds voor Vrede, Vrijheid en Veteranenzorg), de rest van particulieren uit Israël, de VS en Nederland.

Om te beginnen is er de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan. Daar werden vanaf augustus 1942 duizenden joden uit Amsterdam samengebracht en weggevoerd. De Schouwburg is welbekend en voor het publiek toegankelijk, maar de expositie daar is in de versukkeling geraakt. Die moet nieuw leven worden ingeblazen.

Dan is er de Hervormde Kweekschool, schuin tegenover, waar over een jaar nieuwe exposities moeten komen. Hier werden de kinderen van de gevangen Joden opgevangen, in afwachting van transport. Zo’n zeshonderd kinderen werden weggesmokkeld, terug naar buiten. Dat gebeurde vaak als de tram voorreed, wat de kinderen aan het zicht van Duitse wachtposten bij de Schouwburg onttrok. „Daarom hoort de tramhalte ook bij het museum”, zegt Joël Cahen, directeur van het Joods Historisch Museum en initiatiefnemer van het Sjoa Museum.

Maar wat is de meerwaarde van zo’n nieuw museum, naast het Anne Frank Huis, het Joods Historisch Museum, het Auschwitz Monument en andere plekken in Amsterdam die al aan de oorlog en de geschiedenis van de Joden zijn gewijd, zo werd Cahen gisteren gevraagd op een persbijeenkomst over het Sjoa Museum. Volgens hem zijn het de plek aan de Plantage Middenlaan en het verhaal eromheen dat die meerwaarde biedt. „Beschouw het als lieux de mémoire, met een eenheid van tijd, plaats en handeling.”

Toch blijft er het risico van concurrerentie, bleek uit opmerkingen van burgemeester Eberhard van der Laan gisteren. De gemeente Amsterdam heeft het gebouw van de Kweekschool ter beschikking gesteld voor het nieuwe museum. Van der Laan herinnerde aan de steun die het stadsbestuur gaf aan een plan van het Auschwitz Comité voor een namenmonument voor 102.000 slachtoffers. In de Hollandsche Schouwburg is al een wand, met daarop 6.700 Joodse familienamen. De burgemeester zei te hopen dat beide instellingen „reclame voor elkaars namenlijsten zullen gaan maken”.

Van der Laan noemde gisteren journalist Leonard Ornstein, die als eerste bij hem voor het Sjoa Museum had gepleit. Tegen deze krant zei Ornstein te zijn geïnspireerd door Shoah-musea in Washington en Warschau. „Maar het meest bijzondere museum”, vertelde hij, „is wel het nieuwe Holocaust-museum in Mechelen. Daar heeft de Vlaamse regering veel geld in gestoken.”

Voor de journalist is het een persoonlijke lieu de mémoire. „Het was in de Dossin-kazerne die onderdeel is van dat Mechelse museum, waar mijn moeder in de oorlog heeft vastgezeten.”