Een museum op de plek waar nazi’s ze hebben weggevoerd

Gisteren werd het Sjoa Museum gelanceerd: een museum dat het verhaal van de moord op 80.000 joden uit Amsterdam vertelt. De plek waar de Joden op transport gingen moet een ‘lieux de mémoire’ worden.

De jaarlijkse Auschwitz-herdenking bij het spiegelmonument van Jan Wolkers. De Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan vreest dat de verschillende herdenkingsplaatsen elkaar gaan beconcurreren. Foto Robin Utrecht/ANP
De jaarlijkse Auschwitz-herdenking bij het spiegelmonument van Jan Wolkers. De Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan vreest dat de verschillende herdenkingsplaatsen elkaar gaan beconcurreren. Foto Robin Utrecht/ANP

Een Sjoa Museum op de plek waar duizenden Amsterdamse joden werden samengedreven en verbleven om van daaruit te worden weggevoerd. Een museum dat via lezingen, films, exposities, muziek en samenkomsten het verhaal van de moord op de 80.000 joden uit Amsterdam actief naar voren brengt. Een hoopvolle plek tenslotte, omdat daar door menselijke tussenkomst veel Joodse kinderen zijn gered.

Alles bijeengenomen is dat de ambitie van het Nationaal Sjoa Museum dat gisteren in Amsterdam werd gelanceerd. Het bestaat uit twee, eigenlijk drie reeds bestaande gebouwen en plekken. Te beginnen is er de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan. Daar werden vanaf augustus 1942 duizenden joden uit Amsterdam samengebracht en weggevoerd. De Schouwburg is een bekende instelling, die voor het publiek toegankelijk is. Maar de expositie op de eerste verdieping is in de versukkeling geraakt. De twee miljoen euro die is opgehaald (er is uiteindelijk 21 miljoen euro nodig) van het VFonds (1 miljoen euro) en particulieren uit Israël, de VS en Nederland, moet onder meer die tentoonstelling nieuw leven inblazen.

De voorbijrijdende trams zijn cruciaal

Dan is er de Hervormde Kweekschool aan de overkant van de straat. Daar werden de kinderen van de gevangen Joden opgevangen, in afwachting van transport. Het was daar waar zo’n zeshonderd kinderen stilletjes werden weggesmokkeld, terug naar buiten.

„Maar eigenlijk hoort de tramhalte tussen Schouwburg en Kweekschool er ook bij”, vertelde Joel Cahen, directeur van het Joods Historisch Museum en initiatiefnemer van het Sjoa Museum, gisteren tijdens een persconferentie. „Het waren immers de voorbijrijdende trams die Joodse kinderen tijdelijk aan het zicht van de Duitse wachtsposten onttrokken, waardoor die konden worden gered.”

Tijdens de persbijeenkomst, die ook werd bijgewoond door enkele overlevenden van de Holocaust, werd Cahen enkele keren gevraagd naar de meerwaarde van het Sjoa Museum naast het Anne Frank Huis, Joods Historisch Museum, Auschwitz Monument en andere plekken in Amsterdam die aan de oorlog en de geschiedenis van de Joden zijn gewijd. Cahen antwoordde dat het de plek is aan de Plantage Middenlaan en het verhaal hieromheen dat het nieuwe Museum meerwaarde biedt. „Beschouw het als lieux de mémoire, met een eenheid van tijd, plaats en handeling.”

Toch blijven de diverse plekken met elkaar concurreren, bleek uit de bijdrage van burgemeester Eberhard van der Laan. Hij was ook bij de persconferentie aanwezig. De burgemeester herinnerde aan de steun die het stadsbestuur gaf aan een plan voor een namenmonument van het Auschwitz Comité. Maar in de Hollandsche Schouwburg is nu ook al een wand te zien, met daarop 6.700 Joodse familienamen. Van der Laan zei gisteren te hopen dat beide betrokken instellingen „reclame voor elkaars namenlijsten zullen gaan maken”.

Getroffen door de verhalen

De burgemeester noemde gisteren de naam van de journalist Leonard Ornstein die als eerste bij hem voor het Sjoa Museum had gepleit. Ornstein, ook aanwezig, zei tegen deze krant te zijn getroffen door de verhalen over de ouders van Van der Laan. Die hadden in de oorlog verzetsstrijders helpen onderduiken in Rijnsburg.

Ook was Ornstein geïnspireerd door Shoah-musea in Washington en Warschau. „Maar het meest bijzondere museum”, vertelde Ornstein, „was voor mij wel het nieuwe Holocaust-museum in Mechelen. Daar heeft de Vlaamse regering veel geld in gestoken”. Voor de journalist is het een persoonlijke lieux de mémoire. „Het was in de Dossin-kazerne die onderdeel is van dat Mechelse museum, waar mijn moeder in de oorlog heeft vastgezeten.”