De Politiecolumn: Wat wil de burger van de politie?

Wat de politie moet doen en waar de burger zelf behoefte aan heeft – het leidt tot twee verschillende opdrachten aan de politie. De Politiecolumn, door Kees van der Vijver, ontrafelt de opgave voor de Nationale Politie.

In de oprichtingsdocumenten van de Nationale Politie staat dat de nieuwe organisatie zich ten doel moet stellen goede prestaties te behalen. Dat geldt zowel objectieve prestaties (zoals het terugdringen van criminaliteit) als subjectieve (het behoud van vertrouwen en legitimiteit). Wat moet de politie doen om te bereiken dat de bevolking het vertrouwen in de politie houdt? Het vereist inzicht in de meningen, gevoelens en verwachtingen van de bevolking, die als leidraad worden gehanteerd voor het functioneren van de organisatie.

De verwachtingen van de bevolking laten echter diverse beelden zien, die moeilijk eenduidig zijn te vertalen in aanbevelingen voor de politieorganisatie. Men heeft de wensen van de bevolking op verschillende manieren vastgesteld. Met verschillende uitkomsten. Wie vraagt wat mensen vinden wat de politie behoort te doen krijgt, grosso modo, als antwoord dat de politie voor alles de (zware, georganiseerde, internationale) criminaliteit moet bestrijden. Moord, doodslag, verkrachting, overvallen en geweld aanpakken. Wie vraagt waaraan mensen zelf behoefte hebben, krijgt een ander beeld: men verlangt aanwezigheid, zichtbaarheid, nabijheid en ondersteuning van de politie. Enerzijds de politie als harde criminaliteitsbestrijder om gevaar in te dammen, anderzijds een politie die dichtbij is en te hulp schiet als zich toch gevaar voordoet. Het ene vergt een politie die niet zozeer op de burger gericht hoeft te zijn – zolang de boeven maar worden gevangen. Het tweede een politie waarvan de mensen het vertrouwen hebben dat ze er zijn wanneer je ze nodig hebt. Mensen willen politie zien, de wijkagent kennen (liefst zijn telefoonnummer hebben), een bureau in de buurt en vooral de zekerheid dat, als er ooit iets gebeurt, de politie er razendsnel is. Het ene vergt een reactieve, justitieel georiënteerde politie, het andere een proactieve, decentraal opererende en op noodhulp georiënteerde politie. In samenhang met deze beide ‘organisatietypen’ zullen ook zeggenschap, sturing, professionaliteit en informatiesystemen moeten verschillen. De politie, die aan beide typen eisen zal willen voldoen, zal moeten schipperen. Dat kan tot onvrede leiden, maar als de politie zich realiseert dat die twee belevingswerelden bestaan kan zij wel degelijk op beide aspecten inspelen.

Gelukkig komen ook wensen uit de samenleving naar voren die eenduidiger zijn. Dat geldt bijvoorbeeld de beoordeling van contacten. In tegenstelling tot wat veelal wordt vermoed, is het niet zo dat mensen die contact met de politie hebben gehad (met name slachtoffers) vooral ontevreden zijn over het feit dat bepaalde zaken niet zijn opgelost of misdadigers niet zijn aangehouden. De ontevredenheid heeft vooral betrekking op de manier waarop mensen zijn behandeld: zijn zij serieus genomen, konden ze hun verhaal kwijt, spande de politie zich in. Men mag niet vergeten dat slachtoffer worden een gebeurtenis is die sterke emoties oproept: gevoelens van onveiligheid, angst, wantrouwen jegens anderen, het gevoel dat de wereld onrechtvaardig is. En het politieoptreden kan helpen om die gevoelens te neutraliseren, zodat het slachtoffer weer met vertrouwen de toekomst tegemoet kan zien. Als de Nationale Politie erin slaagt dat te bewerkstelligen, dan is de reorganisatie al geslaagd.

Kees van der Vijver is oud-hoogleraar Politiestudies in Twente. De Politiecolumn verschijnt wekelijks en wordt afwisselend geschreven door politiedeskundigen. Volgende week Guus Meershoek.