Cameron wil een ander Europa, wie krijgt hij aan boord?

David Cameron wil morgen 27 Europese collega’s op een EU-top overtuigen van het nut van ‘substantiële hervorming’ van Europa, teneinde een Brexit te voorkomen. Wat kan Cameron bereiken? En wat vinden andere regeringsleiders?

Wat voor gezelschap treft de Britse premier David Cameron morgen aan in Brussel? Vast niet vrolijk. Eurozone-leiders hadden maandag al een zware noodtop over Griekenland en op de EU-top morgen wacht een dossier waar gegarandeerd ruzie van komt: bootvluchtelingen. Wie heeft er nog zin in een discussie over de plek van het Verenigd Koninkrijk in de EU, zoals Cameron wil?

Toch zal die worden gehouden. Op 7 mei won Cameron de Britse verkiezingen met de belofte dat hij voor eind 2017 een referendum zal houden over de vraag of zijn land in de Europese Unie moet blijven, of eruit moet stappen. Voor zijn eigen standpunt – lid blijven – zoekt hij argumenten, en die moeten zijn collega-leiders hem helpen verschaffen door de vermeende Brusselse bemoeizucht zodanig in te perken dat Britse burgers weer heil zien in de EU. Morgen is in de overvolle agenda voor het eerst tijd ingeruimd voor Camerons ideeën hierover.

Een boodschappenlijst zal hij niet bij zich hebben. Cameron houdt zijn kaarten tegen de borst; de onderhandelingen over de „fundamentele hervormingen” die hij wenst te zien, moeten immers nog beginnen. Morgen wordt vooral gepraat over het tijdpad daarvoor. Ruwweg zet Cameron in op vier thema’s: steeds nauwere samenwerking in de EU (nee, bedankt), meer macht voor nationale parlementen (graag), het beperken van de EU-bureaucratie (uitstekend), en aanpak van ‘uitkeringstoerisme’ binnen de EU (noodzakelijk).

Ever closer union

Het eerste thema is vooral symbolisch. De Britten gruwen van het streven naar ‘een steeds hechter verbond tussen de Europese volkeren’ zoals dat voor het eerst in het Verdrag van Rome (1957) werd geformuleerd. Het riekt naar federalisme en een Europese superstaat. Behalve Cameron nemen weinig EU-leiders dat zinnetje nog serieus, maar Londen wil het schrappen. Alleen: dat vergt een verdragswijziging, een moeizaam, met valkuilen bezaaid proces waar weinig animo voor is.

Bovendien: is het Verenigd Koninkrijk zelf, met al zijn uitzonderingen (zogeheten opt-outs) op het gebied van vrij personenverkeer en de euro, niet het beste bewijs dat het wel meevalt met die ‘ever closer union’? Martin Schulz, de voorzitter van het Europarlement, zei onlangs „verrast” te zijn dat deze kwestie zo op de spits wordt gedreven.

Niemand wil dat de Britten uitstappen (een ‘Brexit’). Dat is slecht voor de economie en voor het imago van de EU, die tot nu toe alleen maar is uitgebreid, nooit gekrompen.

Iedereen wil Cameron waar mogelijk helpen, maar een ongecontroleerde discussie over Britse onredelijkheid en paranoia, en Europese machtswellust ligt op de loer. De Europese Commissie van Jean-Claude Juncker ziet zichzelf als bewaker van het Europese project en koestert argwaan. Ook het Europees Parlement doet dat. „Je kunt moeilijk een relatie in je eentje hebben”, zei Schulz: „De EU en het Verenigde Koninkrijk horen bij elkaar.”

Volgens ingewijden is ‘Europees president’ Donald Tusk vastbesloten de discussie zo klein mogelijk te houden, binnen zijn eigen gremium, de Europese Raad van regeringsleiders. „De enige kans op succes is een discreet debat tussen leiders, met zo min mogelijk bureaucraten aan tafel”, zegt een van hen. Maar zo’n debat wordt wel gemakkelijker als Camerons plannen hout snijden.

Wat nationaal kan, moet nationaal

Ook wat betreft nationale parlementen ogen de Britse zorgen wat merkwaardig. Juist de in november aangetreden Juncker maakt van subsidiariteit – het principe dat wat nationaal kan ook nationaal moet – meer dan ooit een speerpunt. Hetzelfde geldt voor bureaucratie. Junckers rechterhand, Frans Timmermans, lanceerde vorige maand plannen voor ‘Betere Regelgeving’ en het schrappen van slechte of overbodige regels. Kortom: u vraagt, wij draaien.

Cameron vreest „buitensporige inmenging”. Maar uit eigen onderzoek van de Britse regering bleek dat er geen substantiële terreinen waren waarop bevoegdheden konden worden ‘teruggehaald’ zonder dat de interne markt in gevaar komt.

Dan het uitkeringstoerisme. Vooral op dat punt moet Cameron scoren. Een van de meest zichtbare gevolgen van het EU-lidmaatschap voor veel Britten is de komst van (Oost-Europese) arbeidsmigranten. Cameron wil dat EU-burgers pas na vier jaar in een andere lidstaat recht krijgen op sociale voorzieningen als huisvesting en belastingvoordelen. Kinderbijslag zou niet meer naar een andere lidstaat mogen worden gezonden.

Oostelijke EU-lidstaten steigeren van dit soort ideeën, die ze zien als inbreuk op het vrije verkeer in de EU én als een diepe belediging. Het zal heel wat stille diplomatie vergen om met een oplossing te komen die Cameron in eigen land als doorslaand succes kan verkopen.