Al Pacino doet Al Pacino

Als Al Pacino je vader is, dan vergeef je hem alles. Zelfs als hij een egocentrische doorgesnoven popster is. Bij elke andere acteur was het sentimentele verhaaltje van de rockster (de Britse folkzanger Steve Tilson) die aan het eind van zijn leven alsnog een nooit aangekomen brief van John Lennon ontvangt, een draak van een film geworden. Maar Al Pacino speelt Danny Collins als een geëxalteerde versie van zichzelf. Hij schmiert superieur, dat kennen we van hem. Maar omdat Danny Collins ook een schmierder is, speelt Pacino dat hij schmiert. Hij stapt naast zijn rol en zegt: kijk, zo zien jullie me toch het liefst? Zo houdt hij het publiek en zichzelf een spiegel voor, wat Danny Collins tot meer maakt dan zo’n film over een oude man die zich met zichzelf en zijn familie verzoent.

Pacino is een beetje een parodie van zichzelf geworden. In Danny Collins zien we hem voor de derde keer in korte tijd als oudere man met identiteitscrisis: in The Humbling (2014) was hij een dementerend acteur, in Manglehorn (ook 2014) een sleutelmaker die een nieuw leven begint. Dat het in Danny Collins beter werkt, komt door de soundtrack van John Lennon: een briljante subtekst bij het flinterdunne verhaaltje. En door Pacino zelf, die zo lekker op dreef is dat je hem alles vergeeft. Als de vader die hij speelt en als de acteur die hij is.