Opinie

Vergeten

Voor een bloedafname moest ik ’s morgens tegen achten naar een medische post in mijn buurt. Het was een kwartiertje lopen. De stad leek met grote tegenzin ontwaakt. Fietsers en voetgangers haastten zich met strakke gezichten naar hun bestemming. De enige die opgewekt keek, was een dikke, kale, nog vrij jonge man met twee korte, lelijke hondjes. We groetten, hoewel we elkaar niet kenden.

De prikpost was gevestigd aan de achterzijde van een bejaardenhuis. De eetzaal en de gemeenschappelijke zitkamer waren nog leeg; alleen wie bejaard is, mag onthaasten. De medische assistent die me hielp, was een jonge man – in mijn herinnering de eerste man die mij bloed afnam.

„Heeft u nog gegeten?” vroeg hij vriendelijk, nadat ik de vereiste documenten had laten zien. Een strikvraag: als ik ja zei, zou hij me meteen naar huis sturen, want ik moest hier nuchter verschijnen.

Hij zocht geroutineerd de ader in de elleboogholte van mijn linkerarm, prikte en liet vier buisjes vollopen. Daar vloeide het bloed waarover de huisarts straks neutraal, maar onverbiddelijk zou oordelen en rapporteren. „Die cholesterol kan nog net, maar het is wel op het randje.” Dat was na de vorige keer, hoe zou het nu zijn? Gezelligheid kent geen tijd, gezondheid wel.

Toen de assistent klaar was, gaf hij me het aanvraagformulier van de huisarts terug met het verzoek op de achterkant een aantal persoonlijke gegevens in te vullen. Hij vroeg of ik het op de gang wilde doen, zodat hij eventueel andere mensen kon helpen. De gang was nog leeg toen ik aan een tafeltje begon te schrijven.

Ik werkte me snel door de vragen heen, maar mijn vaart stokte bij het vakje voor mijn postcodenummer. Ik wist het even niet. Even? Kon je een, twee minuten nog ‘even’ noemen? Ik groef koortsachtig in mijn geheugen, maar kwam steeds bij dezelfde cijfers terecht die niet kónden kloppen: 2014, een stom jaartal. Intussen zat die assistent met geopende deur op mijn formulier te wachten, zou hij niet ongeduldig worden?

Wat zou hij wel niet denken of zeggen als ik me verlegen kwam verontschuldigen voor mijn impotente geheugen? O, hij leek me aardig en hij zou vast veel begrip tonen: „Dat kan ons allemaal overkomen, meneer!” Het zou het alleen maar pijnlijker maken.

Ik pakte mijn mobieltje en belde naar huis. „Ik weet mijn postcode niet”, zei ik met gedempte stem tegen mijn vrouw. „Dat kan gebeuren”, zei ze, „ik tikte laatst de postcode in van ons vorige huis. En gisteren wist ik de voornaam van Guus Meeuwis niet meer.” „Is dit het begin van het einde?” vroeg ik. „Dat zullen we moeten afwachten”, zei ze, „maar als het zo is, kun je rustig doorgaan met schrijven, want iedereen schrijft tegenwoordig over zijn ziektes.” „De lezers moeten dan wel zelf hier en daar wat invullen”, zei ik.

Ze gaf mij ons postcodenummer. Ik keek er even verdwaasd naar, het kwam me niet eens zo érg bekend voor; het had wel een kwartiertje kunnen duren voor ik er zelf opgekomen was. Ik hield dat voor me, bedankte haar en liep met het ingevulde formulier naar de assistent.

Buiten haalde ik opgelucht adem. Mijn gezicht was gered, nu mijn geheugen nog. Op een straathoek naderde mij een kale man, hij groette luid en met een brede glimlach. Het was die man van daarnet, alleen nu zonder hondjes. Ik groette bijna uitbundig terug. Ik herkende ’m!