Twee kerken

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits
Illustratie Eliane Gerrits

In Princeton bevinden zich twee presbyteriaanse kerken, op een steenworp afstand van elkaar. In de pontificale nep-Griekse tempel op de hoofdstraat verzamelt zich elke zondag de blanke gegoede burgerij. In het kleine kerkje in de zijstraat komen zwarte mensen bij elkaar om te bidden tot dezelfde god.

De dag na de gruwelijke moorden in Charleston loop ik naar dat tweede kerkje. In de koloniale tijd heette deze straat nog African Lane. Het was het centrum van de zwarte gemeenschap, inmiddels grotendeels verdrongen door luxeappartementen. Het is een lieflijk houten gebouwtje met een ranke witte toren – het spiegelbeeld van de kerk in Charleston. Het kijkt uit op de negro cemetery, waar vroeger de zwarten gescheiden van de blanken begraven werden.

Een lange zwarte man komt naar me toe, stelt zich voor als ouderling en nodigt me uit om een kijkje te nemen. Binnen ga ik zitten op een van de houten bankjes. Voor me ligt een gospelboek. Als ik het oppak, valt het vanzelf open bij het lied Amazing Grace.

Ik vraag de ouderling wat hij vindt van de gruweldaad in Charleston.

„In die kerk heb ik leren preken”, zegt hij. „Het voelt alsof mijn eigen familie vermoord is.”

„Deze kerk is opgericht in 1840”, vertelt hij. „De zwarte gelovigen wilden een antwoord geven op slavernij en bijdragen aan de gelijkheid van alle mensen. Hun kerk werd een belangrijk station in de underground railway, het clandestiene netwerk dat slaven uit het Zuiden hielp vluchten.”

Hij wijst me op een gedenkteken in het raam voor William Drew Robeson. „Een van onze eerste dominees”, zegt hij. „Robeson ontsnapte in 1860, toen hij 15 was, in North Carolina aan de slavernij. In vrijstaat Pennsylvania kon hij op een zwart seminarie theologie studeren. Daarna kwam hij hier terecht. Zijn jongste zoon was Paul Leroy Robeson. Een van mijn grote helden. Vader William probeerde zijn jongste zoon op de universiteit van Princeton te plaatsen, maar hij werd om zijn kleur geweigerd. Op de nabije staatsuniversiteit Rutgers werd hij een ster in het American football. Hij had ook een prachtige diepe stem en een groot acteertalent. Hij was de eerste zwarte vertolker van Othello op Broadway.”

Ik ken Robeson van de spirituals waar ik mee opgroeide: Swing Low, Sweet Chariot en Go Down, Moses. Hier is hij vooral bekend van Ol’ Man River uit de filmversie van de musical Showboat. Robeson werd een legende met dit lied dat zo hartverscheurend de pijn van de slavernij vertolkt. De onverstoorbaar stromende rivier als symbool voor een wereld die groot onrecht ziet maar niet ingrijpt. He mus’ know sumpin’. But don’t say nuthin’.

„Je bent altijd welkom in de kerk”, benadrukt de ouderling als we elkaar de hand schudden ten afscheid. „Onze deur staat voor iedereen open.”

Ik denk aan de gedode zwarte mensen in de kerk in Charleston. Tijdens hun laatste gebed verwelkomden ze de blanke schutter, die zei dat hij bijna van zijn gruwelijke plan afzag omdat de mensen zo aardig waren.

Buiten zit een oude zwarte man op een bankje voor het geboortehuis van Paul Robeson. Zijn horloge zwabbert om zijn dunne pols. Intens treurig staart hij voor zich uit. Het is onmogelijk niet de vertrouwde bariton te horen: Ah’m tired o’ livin’. An’ skeered o’ dyin’. But ol’ man river, he jes’ keeps rollin’ along!