Soms meer loon, soms een vakbond, vaak dezelfde misère

Na de ramp met ‘Rana Plaza’ is de veiligheid in de Bengaalse textielindustrie iets verbeterd.

Lunchpauze in Savar. Na de ramp is er een tweedeling in de Bengaalse kledingsindustrie ontstaan tussen bedrijven die veiliger zijn geworden en bedrijven waar het nog min of meer gaat als voor de instorting van ‘Rana Plaza’.
Lunchpauze in Savar. Na de ramp is er een tweedeling in de Bengaalse kledingsindustrie ontstaan tussen bedrijven die veiliger zijn geworden en bedrijven waar het nog min of meer gaat als voor de instorting van ‘Rana Plaza’. Foto Jeff Holt / Bloomberg

Voor de poort van de Bengaalse kledingfabrikant Al-Muslim staat Shamodi, een tenger 18-jarig meisje met een bontgekleurde hoofddoek. Met tientallen anderen wacht ze in een rij, langs de hoofdweg naar de hoofdstad Dhaka waar luid toeterende, gammele bussen en vrachtwagens voorbijrazen, of ze vandaag in de fabriek aan de slag kan als losse arbeidskracht.

Dat ze voor dit glanzende nieuwe fabrieksgebouw staat, heeft alles te maken met het trauma van ‘Rana Plaza’, toen in april 2013 het textielcomplex in Savar instortte en ruim 1.100 mensen om het leven kwamen. „Ik werkte eerst in een oude kledingfabriek, maar schrok me te pletter toen er vorige maand na de aardbeving in Nepal plotseling een grote scheur in een muur was ontstaan”, vertelt ze. „Daar wilde ik in elk geval niet langer werken.”

De ramp in Savar, een van de grootste uit de industriële geschiedenis, schokte de wereld en achtervolgt velen nog altijd. Om te beginnen de slachtoffers die het overleefden. Zij brengen sindsdien vaak meer tijd in ziekenhuizen door dan daarbuiten. De 35-jarige Nilufa Begum ligt in het halfdonker op een bed in een ziekenhuis bij Savar bij te komen van de zoveelste operatie aan haar verminkte been. Eerder was ze al behandeld door nier-, oog- en traumaspecialisten. „Mijn leven is zinloos geworden”, snikt ze.

Zoiets zou nooit meer mogen gebeuren, klonk het twee jaar geleden overal, het luidst in Europa en in de Verenigde Staten. Het moest uit zijn met de manier waarop machtige fabrikanten en westerse kledingmerken vrouwen en mannen voor een hongerloontje T-shirts en broeken lieten maken in krakkemikkige fabrieken die elk moment konden instorten of in brand vliegen.

Maar hoeveel is er terechtgekomen van die mooie voornemens? „Ik denk dat we twee jaar geleden niet hadden verwacht dat we al zo ver zouden zijn”, luidt het opbeurende oordeel van Lilianne Ploumen, de Nederlandse minister van Ontwikkelingssamenwerking en Handel. Deze maand was ze voor de derde keer in twee jaar in Bangladesh om de Bengaalse regering en de fabriekseigenaren te manen de vaart in de hervormingen te houden. Ze geldt als een van de actiefste westerse politici op dit terrein.

Zowel de regering als de BGMEA, het Bengaalse verbond van kledingexporteurs, draalde bij het invoeren van verbeteringen die de industrie veel geld kosten. Tientallen fabriekseigenaren zijn zelf lid van het parlement en zorgen er zo vaak voor dat hun belangen niet geschaad worden. Een nieuwe arbeidswet die de regering had beloofd, liet maar op zich wachten. Volgende maand zal die eindelijk gereed zijn, kreeg Ploumen te horen.

Brandalarmoefeningen

Toch bevestigt Srinivas Reddy, de directeur van het kantoor van de internationale arbeidsorganisatie ILO in de hoofdstad Dhaka, dat er veel ten goede is veranderd. „Er is vooral op het terrein van de veiligheid belangrijke vooruitgang geboekt”, zegt Reddy. Er is aanmerkelijk meer toezicht gekomen, niet alleen op de bouw, maar ook op brandveiligheid. Zijn er voldoende sprinklerinstallaties? Werkt het brandalarm? Zijn de brandgangen niet geblokkeerd? Werknemers bevestigen desgevraagd dat ze tegenwoordig vaak brandalarmoefeningen houden in hun fabrieken. Sinds kort zijn er hier en daar zelfs drills voor als er een aardbeving is.

Volgens gegevens van de ILO zijn er inmiddels ruim 2.800 fabrieken geïnspecteerd, voor 80 procent bedrijven die op de export zijn gericht. Hoeveel kledingfabrieken Bangladesh telt, is overigens nog altijd onduidelijk. Schattingen lopen uiteen van 4.500 tot 9.000. Er zijn sinds de ramp 34 gebouwen, die te onveilig werden bevonden, gesloten. „Dat zou zonder Rana Plaza nooit zijn gebeurd”, zegt Reddy.

Een centrale rol bij de versterking van het veiligheidsbeleid vervulde Accord, een samenwerkingsverband van ruim 200, vooral Europese bedrijven die kleding importeren uit Bangladesh. Accord opende in 2013 een kantoor in Dhaka om te helpen met de inspecties, de veiligheid in de kledingfabrieken in de exportsector te vergroten en om adviezen te geven.

Er is meer. Zo zijn de circa vier miljoen werknemers in de Bengaalse kledingindustrie – merendeels jonge vrouwen – na de ramp een stuk alerter en mondiger geworden. Ze zullen zich – net als Shamodi – niet gauw meer door managers fabrieksgebouwen in laten drijven wanneer ze vrezen dat daarmee iets mis is. Via de sociale media – waartoe ook steeds meer arbeiders toegang hebben – zijn ze zich meer bewust van misstanden. „Als een manager nu een werknemer klappen geeft, gaat die fabriek plat”, zegt Ibadad van Rijckevorsel, een Nederlandse kledinginkoper in Dhaka.

Ook zijn inmiddels in meer kledingfabrieken vakbonden toegestaan. Nu zijn ze actief in ruim 200 fabrieken. Maar veel eigenaren weigeren botweg vakverenigingen tot hun bedrijven toe te laten.

Soms nemen werkgevers zelf het initiatief. „In onze fabriek is geen vrije vakbond”, zeggen Shefali en Ayesha, twee verlegen lachende 18-jarige werkneemsters van Kims Corporation, een fabriek aan een modderig weggetje even buiten Savar. „De eigenaar heeft zelf een soort bond opgericht met vertegenwoordigers van de arbeiders die door hemzelf zijn uitgekozen.”

Maar de lonen blijven vaak beschamend laag. Shefali en Ayesha vertellen dat ze per maand, voor zes dagen werken, 5.300 respectievelijk 5.600 taka krijgen, iets meer dan 60 euro. De regering heeft in 2013 onder zware druk uit het buitenland het minimumloon verhoogd tot 5.300 taka. Maar zelfs met dit bedrag wordt vaak de hand gelicht. In het bedrijf naast Kims Corporation, Woo Ree Apparels, is het beginsalaris maar 3.500 taka, vertellen werkneemsters die net terugkeren van hun lunchpauze.

Onbetaalde overuren

Overuren, vaak tot elf uur ’s avonds, komen veel voor, maar worden zelden uitbetaald. Bovendien krijgt het personeel de lonen dikwijls niet op tijd. Het komt volgens lokale vakbondsmedewerkers ook vaak voor dat werknemers, wanneer ze na een paar jaar eindelijk in aanmerking komen voor een loonsverhoging, simpelweg ontslagen worden omdat de eigenaar geen zin heeft meer loon te betalen.

Zo dringt zich de indruk op dat de fabriekseigenaren weliswaar, onder druk van de westerse importeurs, hebben geïnvesteerd in de veiligheid van hun fabrieken, maar die kosten deels weer afwentelen op de werknemers.

De vakbonden schatten onlangs dat een ‘leefbaar’ loon eigenlijk op zo’n 12.000 taka ligt, ruim twee keer het minimumloon. Ploumen sprak in dit verband van ‘fair pricing’, een redelijke prijs die westerse kledingfirma’s zouden moeten betalen, zonodig door de prijzen in de winkel iets te verhogen. Maar critici betogen dat je er niet zeker van kunt zijn dat zo’n prijsverhoging aan de lokale werknemers ten goede komt. En wanneer je de lonen flink verhoogt, zullen veel kledingbedrijven voortaan met hun orders liever aankloppen in landen met nog lagere lonen, zoals Ethiopië.

Groezelige werkplaatsen

In het algemeen blijft de controle in het door corruptie geplaagde Bangladesh een heikelpunt. Zo maken veel fabrieken die voor de export produceren nog altijd gebruik van subcontractors, als ze zelf even niet voldoende capaciteit hebben om een order uit te voeren. En die onderaannemers schakelen op hun beurt vaak weer andere onderaannemers in, want niemand zegt ‘nee’ tegen een order. Dat zijn vaak niet meer dan groezelige werkplaatsjes met enige tientallen werknemers, die tot in de binnenstad van Dhaka worden aangetroffen. Hun marges zijn smaller en ze behandelen hun werknemers minder goed dan de op export gerichte bedrijven. Een aanzienlijk deel van de fabrieken in Bangladesh produceert bovendien voor de Aziatische markt. De inkopers uit die landen bekommeren zich niet om arbeidsomstandigheden in Bengaalse fabrieken.

Zo is er geleidelijk een tweedeling ontstaan in de Bengaalse kledingindustrie. Aan de ene kant fabrieken die exporteren naar westerse landen en aan bepaalde normen voldoen (of althans geacht worden te voldoen). Aan de andere kant fabrieken waar de zaken vaak nog min of meer zo gaan als voor ‘Rana Plaza’. De hoop van de ILO en van veel westerse landen is dat de verbeteringen in fabrieken die naar het Westen exporteren een positieve invloed hebben op andere fabrieken. „Het zou oneerlijk zijn als we ons alleen zorgen maakten om arbeiders die werken in bepaalde fabrieken en niet om die in andere fabrieken”, beaamt Reddy. Maar niemand betwist dat het nog lang kan duren voor die positieve invloed overal doorwerkt.