‘Rol private cultuurfondsen wordt onderschat’

Private fondsen dragen veel geld bij aan cultuur, zegt de directeur van de VandenEnde Foundation. De minister moet ze in haar plannen betrekken.

Met enige verbazing las Ryclef Rienstra twee weken geleden de nota van minister Bussemaker over het cultuurbeleid voor de komende vier jaar door. „Nergens repte ze met een woord over de rol van private cultuurfondsen”, zegt de directeur van de VandenEnde Foundation.

Het fonds van theaterondernemers Joop en Janine van den Ende geeft jaarlijks ruim 8 miljoen euro per jaar aan culturele doelen. „En wij zijn nog maar een middelgrote speler. Het Prins Bernhard Cultuurfonds en het VSB Fonds geven drie keer zoveel uit.”

Rienstra was gisteren een van de sprekers op het symposium ‘Kaalslag of cultuuromslag’ dat de Boekmanstichting en het Prins Bernhard Cultuurfonds organiseren en waarop veel aandacht was voor de rol van private cultuurfondsen. Die wordt fors onderschat, meent hij. „Dat komt deels doordat er geen betrouwbare cijfers over zijn. Het ministerie zou kunnen beginnen daar meer werk van te maken.”

Volgens de Werkgroep Filantropische Studies aan de VU, die tweejaarlijks de publicatie Geven in Nederland uitbrengt, gaven private fondsen in 2013 79 miljoen euro aan cultuur. Maar volgens Rienstra, die zelf een onderzoek deed onder achttien landelijke cultuurfondsen, moet het werkelijke bedrag hoger liggen. Rienstra: „Er zijn in Nederland ruim 400 fondsen die aan cultuur geven. De achttien die ik onderzocht heb, schonken in 2013 samen 90,5 miljoen euro aan cultuur. Dat is een stijging met 50 procent vergeleken met 2005. Toen schonken ze ruim 60 miljoen euro.”

Het is dus niet waar dat de private sector door de economische crisis minder geld aan cultuur geeft, zoals wel wordt gedacht, zegt Rienstra. „Natuurlijk zijn er fondsen die hun budget naar beneden hebben moeten bijstellen. Maar dat wordt gecompenseerd door de opkomst van nieuwe fondsen. Alleen al het Prins Bernhard Cultuurfonds zag het aantal fondsen op naam de laatste jaren met bijna 50 groeien naar ruim 330 in 2014.”

Wat minister Bussemaker volgens hem zou kunnen doen, is stimuleren dat er nog meer van dit soort fondsen worden opgericht, door er in haar nota’s en toespraken meer aandacht aan te schenken. „Het gaat mij om een zekere bewustwording die gestimuleerd kan worden.” De minister heeft niet alleen de taak subsidie te verdelen, vindt hij. „Als je de overheid ziet als hoeder van de cultuur, hoort daar naast een financiële rol ook een regierol bij. Om partijen samen om tafel te krijgen en vernieuwing in gang te zetten.”

Er zijn al goede voorbeelden, zoals het Blockbusterfonds, een coalitie van drie fondsen, waaronder de VandenEnde Foundation, die samen met de BankGiro Loterij grote culturele evenementen mogelijk maken.

Private fondsen zouden volgens hem meer risico’s durven nemen bij het investeren in cultuur als de overheid garant wil staan. „In het Blockbusterfonds lenen wij geld uit in plaats van te geven. Dat geld krijgen we terug, en investeren we opnieuw.”

Maar als het misgaat, krijgt het Blockbusterfonds het geld niet terug. „We kiezen daarom voor redelijk veilige evenementen, waar een breed publiek op afkomt. Als de overheid financiële garantstelling kan geven, zullen private cultuurfondsen vaker durven investeren in risicovolle projecten waarvan op voorhand niet zeker is dat er een groot publiek op afkomt, maar die wel van groot artistiek belang zijn.”