Rachmaninov mak bij de Munt

Vreemd genoeg lijkt het nooit eerder gedaan: alle drie de eenakters van Rachmaninov combineren tot één avondvullende opera. De Munt in Brussel ging de uitdaging aan. De verdoemde liefde vormt een handig uitgangspunt: overspel en liefde voor geld leiden tot de dood.

Maar in het Théâtre National maakten de orkestleden onder Mikhail Tatarnikov een makke indruk. En dat terwijl deze vroege werken alle hulp kunnen gebruiken. Aleko (1893) is alleen in het dramatische slot écht aangrijpend. Interessanter zijn de latere opera’s. Francesca da Rimini (1906) bevat een prachtig liefdesduet, en weet medelijden op te roepen voor de bedrogen Lanceotto, met veel inlevingsvermogen gezongen door Dimitri Tiliakos.

Toch zijn Rachmaninovs personages, mede door het manke plot en de geringe muzikale profilering, grotendeels sjablonen. Regisseur Kirsten Dehlholm versterkt die onpersoonlijkheid. Op een grote brede trap worden de zangers opgevoerd als traag bewegende poppen. Ondanks gifgroene en helblauwe kostuums bleven de zigeuners van Aleko kleurloos. Francesca oogde kaal en afstandelijk.

Zo maakte De gierige ridder de meeste indruk. De 69-jarige bariton Sergei Leiferkus imponeerde puur met zijn charismatische stem en gestalte als formidabele gierigaard.