Inspectie onder de loep

De Tsjechische mededingingsautoriteit bracht in november 2003 een onaangekondigd bezoek aan bakkerij Delta Pekárny in Brno, die werd verdacht van verboden prijsafspraken met twee andere bedrijven. Omdat Delta Pekárny volgens de inspecteurs niet volledig meewerkte, kreeg het bedrijf een boete (van 11.500 euro).

Delta Pekárny legde zich daar niet bij neer. De rechtszaak kreeg een lange nasleep, die pas vorig najaar eindigde met een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Daarin kritiseert het Hof de rechterlijke toetsing achteraf van het optreden van de inspecteurs. Daarin was wel de rechtmatigheid van de inspectie beoordeeld, maar niet de noodzakelijkheid. En dat had volgens het Hof naar de maatstaven van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM, art. 8 over recht op privéleven) wel gemoeten.

De mededingingsadvocaten Janneke Kohlen en Gijs van Midden vestigden in het juristenblad Euroforum onlangs de aandacht op de uitspraak, omdat die ook voor Nederland en het optreden van de Autoriteit Consument en Markt alhier van betekenis zou zijn. „Onze ervaring is dat de Nederlandse rechter veelal alleen de rechtmatigheid van het bedrijfsbezoek beoordeelt, maar niet (expliciet) ook de noodzakelijkheid.”

Op grond van de uitspraak van het Hof in Straatsburg concluderen Kohlen en Van Midden dat de rechterlijke controle achteraf in Nederland met onvoldoende waarborgen is omkleed en in strijd kan zijn met het EVRM.