Elke dag denk ik wel een keer: had ik maar niet geschoten

De overvallers kwamen terug. En nu haalden ze niet alleen de kluis leeg. Ook familietheater Palazzo ging in vlammen op. Eigenaar Jan-Paul Beukering doet voor het eerst zijn verhaal in de media.

De entree van Palazzo. Achter het gordijn staat eigenaar Jan-Paul Beukering.
De entree van Palazzo. Achter het gordijn staat eigenaar Jan-Paul Beukering.

Met tiewraps om beide handen zit Jan-Paul Beukering vastgebonden in Palazzo, zijn eigen theater, aan een paal onder het balkon. Een kale man komt op hem af, een fles benzine in zijn hand. Hij giet die over Beukering heen, houdt een vuurtje bij diens lichaam. De stem van de kale is hard, zakelijk. „Ik wil de code van de kluis.” Als hij wegloopt om de kluis te openen, weet Beukering zich te bevrijden. Hij vlucht naar buiten. Het is de laatste keer dat hij zijn theater intact ziet.

In de Koningsnacht schieten vlammen omhoog in het hart van het Brabantse stadje Grave. Mensen komen de kroeg uit om te kijken. Palazzo staat in brand na een brute overval. Zes dagen ervoor mislukte een overvalpoging, nu is het opnieuw mis.

Voor het kleine Grave (8.700 inwoners) is het theater van Jan-Paul Beukering belangrijk. De familie heeft het al sinds 1948 in bezit. Er worden bruiloften gehouden, alle verenigingen komen er samen. Er blijft niks van over. Het theater en zijn woning erboven zijn verwoest.

Jan-Paul Beukering woont nu in een wijkje verderop in Grave, in een keurig rijtjeshuis met tuin. Het contrast met de steegjes en oude panden rond zijn vorige woning in het centrum is groot. Binnen is het huis nog kaal, er hangt niks aan de muur.

De gebeurtenissen van eind april hebben Beukering, een man met een enorm postuur die niet snel emoties laat zien, hard geraakt. De politie heeft hij het verhaal over die bizarre week verteld; in een uitzending van Opsporing Verzocht is een compositietekening van de kale man getoond. Dat heeft voorlopig vier tips opgeleverd. Nu brengt Beukering zijn relaas voor het eerst zelf in de publiciteit.

Ouderwetse revolver

Zes dagen voor de brand, in de nacht van 20 op 21 april, sluit Jan-Paul Beukering ’s avonds het theater af. Als iedereen weg is, loopt hij het gebouw in en ziet hij een man met een Indonesisch uiterlijk de kassa leeghalen. Daar zit vanavond slechts een paar honderd euro in. Beukering blijft staan, verbijsterd. Net als hij wil vragen waar de man mee bezig is, ziet hij een kale, blanke man naast zich. Die heeft een ouderwetse revolver in z’n hand, zo eentje die je in oude cowboyfilms ziet. „Ik wil geld hebben”, zegt hij – zo rustig dat Beukering doodsbang wordt. Hij knikt. In de kluis beneden ligt een kleine 1.500 euro.

De mannen volgen hem, door de smalle, donkere gangetjes die het oude pand typeren. Beukering: „Ik dacht steeds dat ze me zouden doodschieten. Ik wist: ik ben alleen en zij hebben geen bivakmuts op. Die overvallers wisten dat ik hun gezichten had gezien. Dat spookt allemaal door je hoofd.”

Hij opent de kast waar de kluis in zit. De overvallers staan achter hem, Beukerings lichaam belemmert hun zicht. Hij ziet zijn luchtbuks staan, geladen met kleine kogeltjes. De buks gebruikt hij af en toe, als hobby.

Dan gaat het snel.

Beukering pakt de buks, draait zich om en schiet op de kale overvaller, die vlakbij staat. Of hij hem raakt, weet Beukering niet; hij rent onmiddellijk weg. Via gangetjes en de toiletten bereikt hij de nooduitgang. Buiten belt hij de politie, die na een uur binnenkomt. De overvallers worden niet gevonden.

Terugkeer

Op internetfora groeit Jan-Paul Beukering uit tot held: de man die met een buks twee overvallers wegjaagt. Zelf ziet hij dat anders. „Die mensen weten niet waar ze het over hebben. In zo’n situatie doe je maar wat. Ik was zo bang dat ik alleen dacht: ik moet hier weg. En toen zag ik die luchtbuks. En elke dag denk ik nu wel een keer: had ik maar niet geschoten.”

Want de overvallers keren terug.

Voor de Koningsnacht heeft Beukering geen bijzondere plannen. Hij brengt de honden naar zijn moeder, zoals altijd, en maakt een ritje met zijn motor. Rond elf uur ’s avonds keert hij terug en hangt hij zijn motorspullen op. Als hij de motor op de standaard zet, voelt Beukering dat er van achter iets om zijn nek wordt gegooid. Een riem, een koord, hij weet niet wat – het wordt met kracht aangetrokken. Beukering stribbelt tegen, vergeefs. Hij zakt door zijn benen, raakt buiten westen.

Als hij wakker wordt, zit hij vastgebonden. De kale man die benzine over hem heen giet, draagt een mitella om de arm waarop Beukering met de luchtbuks heeft geschoten.

„Ik wist meteen dat het dezelfde mannen waren. Ik zag het alleen al aan de manier van bewegen. En nu ging die man met die kale kop nog een stap verder. Mijn ogen deden ongelooflijk pijn door die benzine. Toen hij er ook nog een vuurtje bij hield, sloeg de angst toe. Pure angst – ik kan bijna niet uitleggen hoe dat voelt. Als ik groene stront had moeten laten, had ik groene stront gelaten. Je doet alles wat ze willen. Ik heb ze meteen de code van de kluis gegeven.”

Zodra de mannen met de code weglopen, begint Beukering de tiewraps langs oude scharnieren aan de paal te schuren. Uiteindelijk komt hij los, striemen in zijn nek en om zijn polsen. Honderd meter verderop woont zijn tante. Midden in de nacht belt hij aan, doorweekt van de benzine. Zijn telefoon gaat tekeer, heel Grave wil hem laten weten dat het theater in brand staat. „Ik heb meteen een vriend gebeld; of die mijn moeder wilde bellen. Ze is 64 jaar, hartpatiënt en het theater is haar alles.”

Beukering zelf ligt in de opgeroepen ambulance aan de zuurstof als hij zijn moeder ziet. „Een hoopje ellende was ze. Toen stroomden de tranen over mijn wangen. Ik ben een grote vent, maar dan word je echt heel klein.”

Beukering hoeft niet naar het ziekenhuis. In plaats daarvan gaat hij mee naar het politiebureau in Cuijk. Hij moet zijn kleren inleveren en krijgt er een papieren overall. Hij belt een vriend, die hem terugbrengt naar Grave. De omgeving van het theater is afgesloten, hij moet het laatste stuk naar zijn tante lopen. „Ik had alleen dat overalletje aan, maatje L, dat scheurde meteen. Het was zes uur in de ochtend, er stonden nog mensen te kijken naar het theater. Daar liep ik dan. Alles wat ik nog had, was een rode onderbroek en een gescheurde papieren overall.”

Rondom Palazzo wonen veel mensen, die bij de brand in allerijl hun woning hebben moeten verlaten. Veel van hen vertellen enorm met Beukering mee te leven. Een buurvrouw omschrijft hem als „een harde werker en een goed mens”.

In Grave zijn ook andere geluiden. Er wordt geroddeld. Beukering zou gokschulden hebben, een wietplantage verbergen, lid zijn van de Hells Angels. Hij zou de brand zelf hebben aangestoken, om de verzekering te tillen.

Frustrerend, vindt de theatereigenaar dat. „Het is allemaal onzin. Dat is ook de reden dat ik voor de eerste en laatste keer mijn verhaal wil doen. Om te vertellen hoe het echt is gegaan.”

Hij zegt niet te weten waarom hij tweemaal is overvallen. Beukering heeft de overvallers nooit eerder gezien, zegt met niemand problemen te hebben. Voor de politie is hij geen verdachte.

Verzekering

Beukering is verzekerd en wil de uitkering die hij verwacht in een nieuw theater steken. Maar het geld laat op zich wachten. Gisteren oordeelde de rechter in kort geding dat verzekeraar Nationale-Nederlanden hem geen voorschot hoeft te betalen. Het bedrijf wil de oorzaak van de brand tot op de bodem onderzoeken, en heeft daar nog zeker enkele maanden voor nodig.

Tot die tijd zit Jan-Paul Beukering thuis. „Het klinkt raar, maar ik ben blij dat mijn vader dood is. Dit had hij niet overleefd. Palazzo was zijn alles. Voor mij is het ook zwaar, maar ik leef nog. Ik kreeg een woning aangeboden tegenover het theater, die heb ik afgeslagen. Ik vind het moeilijk er te zijn, alles is kapot. Ook al krijg ik geld van de verzekering, het zal moeilijk zijn Palazzo weer te krijgen zoals het was. Maar ik zal er alles aan doen, ik kan niet anders.”