Dakloos en in koelen bloede vermoord, 65 keer achtereen

Wie zit er achter de dood van Marcos Aurélio en 64 andere daklozen in Goiânia? Burgerrechtenactivisten verdenken doodseskaders van de politie, die een lange geweldstraditie kent.

Grote foto: de openbare begraafplaats Vale da Paz, net buiten Goiânia, waar acht van de vermoorde daklozen liggen begraven. Foto’s boven: desupermarkt waar in november 2012 Marcos Aurélio Nunes da Cruz werd doodgeschoten;daklozen in Goiânia.
Grote foto: de openbare begraafplaats Vale da Paz, net buiten Goiânia, waar acht van de vermoorde daklozen liggen begraven. Foto’s boven: desupermarkt waar in november 2012 Marcos Aurélio Nunes da Cruz werd doodgeschoten;daklozen in Goiânia. Foto’s Rafael Fabrés

Ondina Gonzaga Coelho voelt geen wrok, ze begrijpt er alleen niets van. „Marcos Aurélio Nunes da Cruz was misschien geen lieverdje, een slechte jongen was hij zeker niet.” De vrouw kijkt naar een ingelijste foto van haar zoon en klemt de zakdoek in haar hand stevig vast. „Van kinds af aan al wilde hij vrij zijn, als een vogel. Daarom leefde hij op straat.” Haar stem slaat over. „Maar waarom is hij vermoord?”

Op 5 november 2012 om drie uur ’s nachts lag Marcos Aurélio te slapen op een stuk karton in de nis van een goedkope supermarkt. Op beelden van bewakingscamera’s is te zien hoe een in het zwart gehulde motorrijder behoedzaam dichterbij komt. De gehelmde man kijkt kort om zich heen, pakt een pistool uit zijn rugzak, buigt voorover, pauzeert, vuurt. Koelbloedig, eenmaal.

Marcos Aurélio is niet de enige dakloze die zonder reden is gedood. In de Braziliaanse stad Goiânia, de hoofdstad van de centrale deelstaat Goiás, zijn sinds augustus 2012 maar liefst 65 daklozen vermoord. Het merendeel werd doodgeschoten, sommigen neergestoken. Een enkeling werd verbrand of gestenigd. Anderen verdwenen spoorloos.

Brazilianen kijken nauwelijks van de moorden op, al is het aantal zelfs voor Braziliaanse begrippen fors. Lokale media berichten erover, maar landelijke media besteden er slechts sporadisch aandacht aan. In absolute aantallen kent Brazilië het hoogste moordcijfer ter wereld, meer dan het aantal moorden in de VS en Europa bij elkaar – vergelijkbaar met oorlogsgebieden als Syrië of Irak. In 2013 werden 53.636 gewelddadige doden geregistreerd. Het land staat op de achttiende plek van meest gewelddadige landen.

Opvallend: voor blanken werd Brazilië de afgelopen jaren veiliger. Het aantal moorden op blanken nam af met een kwart. Maar zwarten werden volgens het jaarlijkse geweldsrapport van de internationale non-gouvernementele organisatie Flasco 40 procent vaker vermoord.

De seriemoordenaar van Goiânia

Goîania is een doorsneestad in het droge binnenland van Brazilië, ver weg van de hagelwitte stranden waar het land bekend om staat. In de bloedhete provincie Goiás hebben sojaproducerende grootgrondbezitters grote invloed op de lokale politiek, de meerderheid van de bevolking stemt conservatief.

De stad, een tekentafelproject uit de jaren dertig, staat vol karakterloze architectuur. De voor Brazilië zo karakteristieke rode aarde kruipt overal tussen de grijze bebouwing door. In korte tijd barstte de stad uit zijn voegen. Het aantal inwoners groeide van één miljoen rond de eeuwwisseling tot anderhalf miljoen nu.

Ook het aantal daklozen nam toe. Schattingen lopen uiteen van 900 tot 1.100. Voorbijgangers struikelen over ze. In het verloederde centrum liggen ze op kartonnen platen, de haren door de war, sommigen hebben alleen wat lompen aan. Ze scholen samen bij smeulende vuurtjes, delen pijpjes crack of schuimen juist alleen de straten af. „Velen van ons slapen overdag”, zegt José Raimundo de Almeida (54), een lokaal bekende dakloze muzikant die van een oud blik verf een ukelele maakte. „’s Nachts is het veel te gevaarlijk.”

Over de vraag wie de moorden in Goiânia pleegt, bestaat onenigheid. De politie zegt dat verslaafden elkaar afmaken. Het zijn opzichzelfstaande zaken, houden zowel de civiele als de militaire politiediensten vol.

In oktober werd een 26-jarige ziekenhuisbewaker opgepakt: de vermeende ‘seriemoordenaar van Goiânia’. Hij bekende de moorden op vijftien jonge vrouwen sinds januari vorig jaar, maar later trok hij een deel van zijn verklaringen in.

Medewerkers van mensenrechtenorganisaties en evangelische pastoraten geloven niet dat hij de daklozen vermoord heeft. De moordenaars zijn juist agenten, zeggen zij. „Doodseskaders”, aldus Nelson Antônio, coördinator van een lokaal straatpastoraat, die met zijn vrouw wekelijks eten uitdeelt op straat. „Leden van de militaire politie die de straten willen zuiveren van verdorvenheid. Zij zien slechtheid vooral in armoede en drugsgebruik.”

Een federale mensenrechtencommissie onderschrijft de aanklacht van de activisten: ze bevestigt dat door de politie gestuurde doodseskaders in het spel zijn. Op basis van onderzoek van die commissie in het voorjaar van 2013 – het dodental stond toen nog op 27 – verzocht de toenmalige minister van Mensenrechten Maria do Rosário het Hooggerechtshof om het onderzoek op federaal niveau te laten plaatsvinden. Dat is tot op heden niet gebeurd.

Militairen voelen zich superhelden

De militaire politie in Brazilië kent een lange geweldstraditie. Volgens een recent onderzoek doodde de Braziliaanse politie in de afgelopen vijf jaar 11.197 mensen. Dat zijn zes doden per dag – getelde doden.

De cijfers verbazen onderzoeker Adilson Paes de Souza niets. De Souza werkte dertig jaar voor de militaire politie, drie jaar geleden promoveerde hij op een onderzoek naar geweld binnen diezelfde politiedienst. „Ja, er bestaan doodseskaders”, zegt hij. „Militairen die zich nota bene superhelden voelen: ze denken echt dat ze de wereld beter maken door die te ontdoen van drugsgebruikers en armoedzaaiers. En de meerderheid van de bevolking stemt daar ook mee in.”

Het systeem van de militaire politie is geworteld in de periode 1964-1985, toen Brazilië een dictatoriaal bewind kende. Hoewel de militaire politie officieel niet onder de gewapende macht valt, opereert de dienst nog altijd volgens militaire principes en discipline. De agenten mogen niet staken of zich in vakbonden verenigen. De vuile was buitenhangen is verboden.

„In Brazilië heerst straffeloosheid”, zegt De Souza. „En het ontbreekt aan de politieke wil om daar iets aan te veranderen.”

Voor Ondina Gonzaga Coelho is het ondraaglijk dat ze niet weet of haar zoon heeft geleden. Sinds de politie haar heeft ingelicht over Marcos Aurélio’s dood, heeft ze niets meer vernomen. „Ik zal niet rusten voor ik precies weet wat er is gebeurd.”

De kans is klein dat ze daarin slaagt. De politie informeerde Coelho nooit over de dader, terwijl de zaak van haar zoon juist een van de weinige is waarvoor een verdachte werd opgepakt: een agent van de militaire politie, Rogério Moreira da Silva, op straat bekend als Zinca. Sinds november werd hij in twee zaken veroordeeld tot 25 en 16 jaar cel voor vier moorden. Maar niet voor de moord op Marcos Aurélio.

Operatie ‘Het zesde gebod’

Ook andere leden van de militaire politie in Goiânia worden in verband gebracht met strafbare feiten. Openbaar aanklagers begonnen in 2009 een onderzoek in de deelstaat vanwege het grote aantal moorden dat werd gepleegd door de militaire politie. In Operatie ‘Het zesde gebod’ zette de federale politie telefoontaps in om inzicht te krijgen in de lokale cultuur binnen de politiedienst. Daarop is onder meer kolonel Carlos César Macário te horen, op dat moment subcommandant van de militaire politie en voormalig commandant van elite-eenheid Rotam. Macário praat met een collega over een jongen die vermoord zou zijn door zijn eigen dienst: „Als we zo’n jongen niet vermoorden, zouden we gedemoraliseerd raken.”

Het onderzoek wees uit dat Macário tien jaar lang een doodseskader leidde dat tientallen mensen had laten verdwijnen in massagraven. Macário wordt onder meer beschuldigd van moord, samenzwering, het verbergen van een lijk en marteling. Samen met 18 anderen werd hij in 2011 opgepakt. Tot processen kwam het nooit.

Dus loopt Macário vrij rond. Hij ontkent iedere betrokkenheid. Afgelopen oktober was de kolonel parlementskandidaat voor de deelstaat Goiás, met steun van de gouverneur. Op zijn verkiezingsposter stonden twee nepkogelgaten naast de slogan ‘Tegen tuig, ter verdediging van de familie’. Macário werd niet gekozen. De kolonel reageerde niet op herhaalde verzoeken om commentaar.

Dat het aantal dakloze slachtoffers in Goiânia wordt bijgehouden, is te danken aan een mensenrechtenorganisatie. De lijst van het João Bosco Burnier Centrum voor de Verdediging van Mensenrechten telt er 65, in leeftijd van 13 tot 52 jaar oud. De politie erkent maar 52 namen van de lijst.

„Maar het exacte aantal weten we niet. Het verzamelen van informatie is moeilijk”, zegt Eduardo Mota van het mensenrechtencentrum. Zelf schat hij dat het werkelijke aantal slachtoffers rond de 70 ligt. Anderen vermoeden dat in ruim twee jaar tegen de honderd daklozen zijn vermoord.

Niemand bekommert zich om hen. Van sommigen is de hele naam bekend, van anderen alleen de bijnaam: Specht, Kroon, Kolibrie. Zeventien lichamen zijn helemaal niet geïdentificeerd. Zij verdwenen naamloos in de rode aarde.

Op de openbare begraafplaats Vale da Paz, een kale rode vlakte waar de losgewoelde aarde aan het einde herinnert aan de verse lijken in de grond, zijn alle graven genummerd. Een medewerkster gaat met haar vinger langs de dikke, handgeschreven boeken. Ze vindt acht slachtoffers van de lijst.

„Hier komen dagelijks acht tot tien onbekende lijken binnen,” zegt Osmar Lacerda Xavier, een grafdelver. Met een gietertje gooit hij water over een mooi onderhouden graf. „Als mensen betalen, zorgen wij voor alles. Maar de meesten hebben geen familie. Wij laten de lichamen dan stilzwijgend ter aarde gaan.”

De favoriete martelplek

De dood is overal in Goiânia, angst overheerst. „Het is beter niets te zien en niets te weten”, zegt José Ananias Ferreira (57). Hij bouwde een schuilplaats onder een brug. „Wie toch iets heeft gezien, is zelf de volgende op de lijst.” Met enige regelmaat ziet hij lijken de rivier af drijven. Stroomopwaarts heeft elite-eenheid Rotam zijn favoriete martelplek, zegt hij.

De meeste daklozen durven alleen te praten onder de belofte van anonimiteit. Ze zijn als de dood voor de politie. Zoals Paulo (38), die in verschillende Braziliaanse steden zwierf, en nergens zo veel angst ervoer als in Goiânia. „Het is nergens zo gevaarlijk als hier”, vertelt hij. Tijdens een politieaanval tien jaar geleden verloor hij drie vrienden. „Het is dat ik hier geworteld ben. Maar voor daklozen voelt Goiânia als schaakmat.”

Ook de mensenrechtenactivisten zijn bang. Maria Madalena Patrício de Almeida, die sinds de jaren tachtig werkt met daklozen, wordt bedreigd. „De staat Goiás is wetteloos”, zegt de vrouw. Uit veiligheidsoverwegingen spreekt ze af bij haar zus thuis. „Jezus zou nooit in Goiânia zijn geboren, hij zou er doodgaan.”

Maria Madalena gelooft dat doodseskaders aan het werk zijn. „Misschien niet bij alle moorden, maar zeker wel bij een hoop”, zegt ze. „Het geweld in de stad is enorm toegenomen en de daklozen zijn daar de dupe van. Straatbewoners vermoorden is voor de politie eenvoudiger dan het geweld aan te pakken. Zo hebben ze meteen een zondebok.”

De politie doet de zaken af als losstaand. „Er bestaat geen enkel formeel bewijs van betrokkenheid van militaire politieagenten bij doodseskaders in Goiânia”, schrijft een woordvoerder van de militaire politie in een e-mail.

Volgens Murilo Polati, chef van de afdeling Moordzaken in Goiânia, is drugsgebruik onder daklozen het grootste probleem. „Er is niets afwijkends aan de hand. Gewoon weer een dode junk.”

Dat Marcos Aurélio crack gebruikte, is volgens zijn moeder mogelijk de aanleiding voor zijn dood. „We hebben heel veel pogingen gedaan hem daarvan af te krijgen.” Ze vertelt dat Marcos Aurélio vier keer uit eigen beweging naar een afkickkliniek ging. Hij viel steeds terug.

Drie dagen voor zijn dood, de avond van Allerzielen, belde Marcos Aurélio. Het was hun laatste gesprek, hij vroeg om geld. „Ik weigerde, hij zou er maar drugs van kopen”, zegt ze. „Maar de dood verdiende hij niet.” De vrouw legt haar hand op de foto van haar zoon. „Deze dood verdient niemand.”