Opinie

Ben ik de enige die timide raakt van de kunsten?

Zoals u weet is het niet deftig om vrolijk te zijn. In beschaafde kringen wil niemand zich amuseren. Ik kan het weten, want ik ben zo deftig dat ik zolang ik me kan herinneren geen sprankje vrolijkheid heb gekend. Zoiets komt trouwens niet vanzelf, daar gaan heel wat jaren aan universitaire opleiding in zitten.

Natuurlijk zijn er milieus waarin men zelfs nog netter en depressiever is dan ik. Denk aan de serieuze liefhebbers van klassieke muziek: die zijn zo voornaam dat ze ontploffen zodra ze vermoeden dat iemand zich amuseert. Ze ruiken meteen onraad als de jaarlijkse vraag voorbij komt of de klassieke muziek zich moet aansluiten bij de rest van het leven. Er zal toch niemand opstaan die het woord ‘leuk’ gaat gebruiken! ‘Het is een misvatting’, schrijven ze… o, ze houden zich overduidelijk in! … ‘het is een misvatting te denken dat wie aangetrokken wordt door vluchtig amusement, ook vatbaar is voor muziek die vraagt om ingetogen concentratie.’ Lazer op, bedoelen ze. Lazer op met je plezier en je rest van het leven.

Uit diep ontzag voor dit vreugdeloze publiek hoor je presentatoren van klassieke muziek altijd praten met een kleine vertraging. Doodsbenauwd dat hen een onvertogen woord ontsnapt remmen ze even af voordat ze de sprong met de moed der wanhoop alsnog wagen. ‘U gaat luisteren naar de ...idylle voor strijkorkest van … Leoš … Janácek…’ Bedroefd schudden de nette kringen het hoofd. ‘Nee, nee, het is niet „idylle” maar „Idyla”…’

Zoveel beschaving! Als buitenstaander moet je er wel verlegen van worden. Zelfs ik voel me, ondanks mijn ernstige inborst en gediplomeerde geremdheid, stupide ten overstaan van onze superieure Europese cultuur. Zou ik de enige zijn die zo timide raakt van de kunsten? Films niet gaan zien omdat je weet dat je er te onnozel voor bent? Romans niet lezen uit bangigheid dat je te min bent?

Toch liggen daar nu opeens Nietzsche en Erasmus voor me op tafel. ‘Them heavy people’, zoals Kate Bush zulke leraren noemt. Het is per ongeluk. Ik heb de boeken nooit durven lezen, en ook nu ik ze cadeau heb gekregen, jagen ze me schrik aan. Uiteindelijk sla ik Nietzsches essay ‘Het geval Wagner’ voorzichtig open en ik lees de eerste zin. ‘Ik gun mezelf een kleine verstrooiing’. Dat staat er. Ich mache mir eine kleine Erleichterung. Dan pak ik ‘Lof der Zotheid’ en ik lees de voorrede. Neem me niet kwalijk, schrijft Erasmus. Dit boek heeft een vreselijk boertig en lichtzinnig karakter. Maar de cultuurgeschiedenis hangt nu eenmaal aan elkaar van de boertige en lichtzinnige boeken, vervolgt hij, dus de lezers moeten niet zeuren. Waarna hij nog even moppert op het chagrijn van zijn tijdgenoten en op bedillerige types die kunnen gaan klagen over zijn onnozelheid.

Bescheidenheidstopos, natuurlijk, een voorgewende nederigheid die ijdelheid moet maskeren. Dat snap ik ook wel. Maar daar doorheen schemert toch ook een oprechte hekel aan die types die altijd bezwaar maken tegen ontspanning en luchtigheid. Hoe moet je ze noemen? Intellectuelen? ‘Those West Side, liberal, nuts, pseudo-intellectuals’, noemt Nelson Fox ze in de film You’ve Got Mail. ‘Lezers, pa’, zegt zijn zoon. ‘Dat zijn lezers.’ Waarop Nelson zijn hoofd schudt. ‘Niet doen, jongen. Je moet ze niet romantiseren.’

De laatste weken krijg ik steeds maar weer voor de voeten geworpen dat er in Nederland geen echte, nette intellectuelen meer zijn. Dat die intellectuelen bovendien geen debat voeren. Dat dat debat bovendien te weinig rekening houdt met de ernst van de situatie. Het intellectuele denken moet niet alleen deftiger, maar ook minder onnozel, minder lief, minder rechtstatelijk worden teneinde Poetin en de immigratiestromen op afstand te houden. En vooral mag niemand meer op reis of naar het strand, omdat dat te frivool is in deze eeuw.

Nou geef ik toe dat chagrijnig worden een slimme strategie is om te zorgen dat de rest van de wereld je niet meer wil. ‘Kun je niet krom lopen, hinken, je haar niet wassen, scheel kijken, smerige jassen dragen en net doen of je idioot bent?’ vraagt de jaloerse Hector aan zijn beeldschone vrouw in een verhaal van Herman Pieter de Boer. Ze doet het en het werkt. Geen man die nog naar haar omkijkt. Alleen zit Hector, ‘die toch met de mooiste vrouw van de wereld getrouwd was’, nu opgescheept met een krakkemikkige, onfrisse vrouw die niet helemaal goed snik lijkt.

Je kunt Europa omtoveren in een depressief, onrechtstatelijk, steeds lelijker continent om internationaal je tanden te laten zien. Maar je moet je tegelijk ook realiseren dat de charme van het continent schuilt in ons culturele erfgoed dat nu eenmaal, zoals Erasmus zegt, bestaat uit amusement en onnozelheid. Opgewektheid en aardigheid.