Wie jaagt eet uit de natuur

De Tweede Kamer besprak vorige week de nieuwe Wet natuurbescherming. Wel of geen jachtverbod? Ellen Mookhoek neemt het op voor de jagers én de dieren.

Roadkills langs Amerikaanse wegen uit de serie Modern American Landscapes Foto’s Marissa Rock
Roadkills langs Amerikaanse wegen uit de serie Modern American Landscapes Foto’s Marissa Rock

Op een dag moest ik jagen. Na jarenlang zelfverbouwde en in het wild verzamelde groentes gegeten te hebben, was het de beurt aan zelf verzameld wild vlees. Voordat ik de wens om te gaan jagen helemaal toeliet, verdiepte ik me in ‘roadkill’. Dat was vooral een onsmakelijk gebeuren. Van de twintig dieren waar ik – soms op de snelweg, met gevaar voor eigen leven – over gebogen stond was er maar één echt eetbaar. Een jonge haas. Het eten van die haas bezegelde wel mijn lot. Ik was om: vers wild vlees geeft net als verse wilde groentes een smaak die je niet kan kopen.

Iedereen aan wie ik voorlegde dat ik overwoog om te gaan jagen, waarschuwde me: jagers zijn rotvolk en anders zijn het ongelofelijke ballen. Ik kende er niet één en had geen idee. Het eerste wat ik in de maanden daarna een jager hoorde zeggen was: „Rooooderick, je coooola”. Holy shit, dacht ik, ballen van de bovenste plank! Dit was aan het begin van de eerste les van mijn jachtopleiding.

Maar mijn medecursisten bleken divers. De grootste groep bestond uit hoogopgeleide grootstedelingen, gevolgd door jonge agrariërs. En ik was bepaald niet de enige vrouw in de zaal.

Het rotvolk ben ik ook tegengekomen, dat was later in het jachtveld, chagrijnige mannen die alleen praten met mensen die ze al heel lang kennen. Maar verder bleken jagers net mensen. De meesten jagen al heel lang, hun vaders ook, ze hebben een eigen taal en een eigen wereld. Daaraan moest ik wennen. Maar wat ons bindt, het jagen, is sterker dan de verschillen.

Sinds ik jaag kom ik weinig echt onbegrip over mijn keus tegen, op z’n hoogst schrik. Het noodlottige moment dat de moeder van Bambi door een wrede jager wordt doodgeschoten heeft zich volgens mij genesteld in ons collectief onderbewustzijn. Als je nooit met jagers te maken krijgt, blijft dit ongemakkelijke beeld je eerste associatie met jagen.

Maar het is een vergissing om te denken dat niet jagen diervriendelijker is dan wel jagen. Jagen is een belangrijk instrument voor natuurbeheer. De beperkingen die de laatste decennia aan de jacht zijn opgelegd, hebben geleid tot uitdijende populaties met alle problemen van dien.

Een goed voorbeeld is de grauwe gans. Veertig jaar geleden was dit in de zomer een zeer bijzondere vogel. Sinds de jaren tachtig nemen de aantallen broedparen gestaag toe. De ganzen die hier altijd al kwamen om te overwinteren zagen steeds minder reden weer te vertrekken. Door de opkomst van natuurorganisaties kwamen er steeds meer natte natuurgebieden waar nooit een mens komt. Heerlijk rustig, en daarbij zijn de overlevingskansen voor de pullen hier heel goed. Naast de natte natuur liggen prachtige groene weilanden waar ze hun ganzenbuikjes rond kunnen eten – perfect geregeld. In 1999 werd het na jarenlange lobby’s verboden ganzen te bejagen, en toen nam de stand explosief toe. Er zijn in Nederland op dit moment ruim 400.000 overzomerende grauwe ganzen, ongeveer 10.000 keer zoveel als veertig jaar geleden.

Sinds de gans van de jachtlijst is gehaald, is daarmee de enige echte predator van de gans buitenspel gezet: de mens. Alleen de vos bleef over, maar zolang er nog eenden en weidevogels zijn, heeft een gans daar niet veel van te duchten.

Doden met een nekbreekapparaat

Het jachtverbod op de gans is nog steeds van kracht. Het dier mag sinds een paar jaar, vanwege de schade die het door massale aanwezigheid toebrengt, wel bestreden worden. Een compromis met de clubs die zich decennialang hebben ingezet voor het jachtverbod op de gans. We zijn van bejaging naar verdelging overgegaan.

Want wat gebeurt er met de ganzen? Ze worden steeds vaker vergast of met een nekbreekapparaat gedood als ze in de rui zijn. Dan zijn ze goed te vangen. Maar ganzen zijn in de rui mager, en smaken veel minder goed dan volvette herfstganzen. Een verspilling van prachtige en lekkere dieren. Dat is niet alleen de constatering van een foodie. Het gaat ook om de vraag hoe we willen omgaan met wat de natuur ons aan eten biedt.

Een andere grote populatie wilde dieren waar altijd veel gedoe over is, zijn de reeën. In Nederland leven ongeveer 100.000 reeën, jaarlijks worden er rond de 15.000 geschoten en naar schatting zijn 10.000 stuks ‘valwild’. Het grootste deel hiervan ‘valt’ na een aanrijding met een auto: in 2013 meldden 6.300 automobilisten een aanrijding met een ree bij de politie, daarnaast zijn er natuurlijk aanrijdingen die niet gemeld worden. Onder valwild vallen ook gestroopte dieren, slachtoffers van verdrinkingen en aanrijdingen op het spoor.

Het bejagen van de groeiende reeënpopulatie is omgeven met slepende rechtszaken. Zorgvuldig opgestelde afschotplannen voor het beheer van deze dieren worden telkens weer aangevochten door dierenvrienden. Gevolg: steeds meer reeën die in het verkeer aan hun eind komen. De auto doodt niet selectief. De auto doodt ook reegeiten met zogende kalfjes, en zonder moeder verhongeren die.

Aangereden reeën zijn soms nog eetbaar, maar vaak raken de darmen beschadigd, het dier gaat traag dood en het vlees raakt besmet met poepbacteriën. Verzet tegen de jacht redt deze dieren niet en veroorzaakt juist dierenleed. Bovendien is ook dit een verschrikkelijke verspilling van prachtig vlees.

We zijn beter af met stabiele populaties waar regelmatig uit geoogst wordt. Jacht gaat over verantwoord beheren en benutten. We kunnen moeilijk doen over jagen, maar we kunnen er ook gewoon van genieten. De dieren laten doen wat ze hier in dit vruchtbare land zo goed doen – zich voortplanten – en ervan oogsten zodat we gezond en mooi vlees kunnen eten.

Vanavond eten we pasta, doorsnee gezinshap, maar dan met gehakt van ganzenvlees. De eerste ganzen die ik schoot, werden nog met veel bombarie opgegeten. Mama’s eerste gans, mama’s tweede gans – de tel zijn we allang kwijt en de gans is gewoon onderdeel van de pastasaus geworden.