Waarom willen we naar Syrië?

Nederland zal, als het aan het kabinet ligt, een jaar langer strijd blijven leveren tegen terreurgroep Islamitische Staat. Weliswaar met twee F16-gevechtstoestellen minder dan nu (er blijven er nog vier over), maar nog wel met hetzelfde contingent van 130 trainers om in Irak Koerdische en Iraakse strijdkrachten op te leiden. Zo blijft Nederland deel uitmaken van de uit 42 landen bestaande internationale coalitie die militair bijdraagt aan de campagne tegen IS.

Het is opmerkelijk in de brief die het kabinet afgelopen vrijdag naar de Tweede Kamer stuurde dat, in tegenstelling tot een jaar geleden, de mogelijkheid wordt opengelaten de luchtaanvallen door Nederlandse F16’s uit te breiden tot boven Syrië. Daarvoor ontbrak een jaar geleden volgens het kabinet nog het volkenrechtelijk mandaat. Inmiddels hebben de juridische diensten van de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie geconcludeerd dat die volkenrechtelijke grondslag er toch is.

Dit komt, aldus het kabinet, omdat er onomstotelijk sprake is van doorlopende aanvallen vanuit Syrië op Irak. Deze aanvallen worden uit het hoofdkwartier van IS in Syrië aangestuurd. Daarnaast is gebleken dat de Syrische regering niet in staat is strijders en wapens tegen te houden die onophoudelijk vanuit Syrië naar Irak worden gestuurd. Op basis hiervan zou artikel 51 van het handvest van de Verenigde Naties kunnen worden ingeroepen dat het recht op collectieve zelfverdediging legitimeert.

Maar was dit een jaar geleden dan niet het geval? Toen was vooral het punt of boven Syrië gebombardeerd kon worden zonder toestemming van de niet langer door het Westen erkende Syrische regering. Toestemming vragen ten behoeve van een volkenrechtelijk mandaat zou erkenning van het regime betekenen. Dit dilemma is onveranderd. Het is dan ook goed dat het kabinet de extern volkenrechtelijk adviseur om advies heeft gevraagd.

Ook als er een volkenrechtelijk mandaat zou zijn, houdt het kabinet nog een slag om de arm. Want, zo wordt in de brief gesteld, „een breed gedragen politieke strategie ter oplossing van het conflict in Syrië ontbreekt vooralsnog”. Het is een tamelijk terloopse constatering, maar wel een cruciale. De weg naar een politieke oplossing is er blijkbaar nog niet. Ondertussen wordt wel volop militair opgetreden.

Samen met de kabinetsconclusie dat IS een „weerbarstige tegenstander” is gebleken en dat de strijd „nog lang niet is gestreden”, roept dit de vraag op of voor de Tweede Kamer niet iets anders aan de orde is dan het al niet niet verlengen van de missie. Namelijk of militaire interventie in dit gebied hoe dan ook nut heeft.