Opinie

Het huis van een vreemde

Het was misschien niet slapend rijk worden, maar het was wel slapend verdienen. Tijdens mijn studie werkte ik een tijdje als ‘slaapwacht’ in een verzorgingstehuis. Ik sliep in een klein kamertje met een telefoon naast mijn bed, zodat ik wakker werd wanneer de nachtzuster hulp nodig had. Soms viel er iemand uit bed, soms moest er iemand nodig naar de wc.

‘s Ochtends leverde ik de telefoon in bij de zusterpost. De nacht werd bijgehouden in een logboek, maar sterfgevallen hadden een speciale plaats; die kwamen op een whiteboard. Een kamernummer en naam met een kruisje ervoor.

Ik maakte er een gewoonte van om die namen over te schrijven. Een ijdel verzet tegen het anonieme sterven.

Op een avond werd ik uit bed geroepen omdat er iemand op sterven lag. Ik moest bij hem zitten tot de familie kwam. De zuster stelde me gerust: „Meestal wachten ze.” De man ademde hevig, onregelmatig. Hij keek me met grote ogen aan. Steeds duwde hij de deken van zich af. Hij was naakt, en op zich lijkt naakt sterven mooi rond, maar ik kon het niet helpen te willen voorkomen dat hij zijn geslacht ontblootte.

Boven zijn bed hing een schilderijtje van een rijstveld, getekend in fijne streken groen. Die man droeg een heel leven, vol verhalen en details. Als vreemde kon ik daar op geen enkele manier recht aan doen.

De dood zelf beangstigt me niet, de abrupte ontkenning van wat geweest is wel.

Nu zit ik een paar dagen in het appartement van een onbekende. Ik heb de verhuurster niet ontmoet, maar haar identiteit hijgt op mijn huid. Ze heeft redelijk grote handen, want haar ringen passen mij. Maar haar voeten zijn kleiner en haar hoofd is beduidend smaller: de poten van haar versterkte zonnebril prikken in mijn ogen. Aan de muur hangen 88 vrouwelijke naakten, op 60 vierkante meter. In haar nachtkastje zit een dildopakket dat speciaal gemaakt is voor vrouwen die zich stapje voor stapje willen openen. Links een rubberen staafje met de dikte van een pink, rechts komkommerdik. Alleen de middelste maat zit niet in deze doos. Op haar Canon-camera staan foto’s van schaduwen, gerechten, donderluchten en close-ups van haar Perzische tapijt. Ik denk dat ze zichzelf beschouwt als iemand met oog voor detail.

Onder het bureau vind ik knipselmappen. In de jaren negentig was ze een gevierde danseres, kranten prezen haar. Ze komt uit Nicaragua en tegenwoordig geeft ze les. Op YouTube kan ik bekijken hoe ze praat. Ze heeft beweeglijke handen. Vlug klik ik haar weg. Ik vind haar dagboeken. Ze zijn in het Spaans – gelukkig voor ons beiden.

Nabijheid wordt het diepst gevoeld wanneer afwezigheid ruimte biedt voor fantasie. Het werkelijke leven laat zich alleen in de verbeelding volledig eren.