Mannen moeten vechten, daar kunnen ze niks aan doen

Onderzoeker Jonathan Gosschall ging kooivechten om het geweld te bestuderen dat mannen elkaar met veel plezier aandoen. Hij schreef er een boek over.

Jonathan Gottschall spreekt over Echte mannen vechten, april 2015 in New York. Foto Astrid Stawiarz/Getty Images
Jonathan Gottschall spreekt over Echte mannen vechten, april 2015 in New York. Foto Astrid Stawiarz/Getty Images

Het valt Jonathan Gottschall mee dat ook vrouwen zijn nieuwe boek kunnen waarderen. Want ja, er staan dingen in waarvoor hij in andere tijden – 1970, 1980 – was afgemaakt, figuurlijk dan. Hij schrijft dat er grote verschillen tussen mannen en vrouwen bestaan, en dat die níet zijn aangeleerd. Biologie. Mannen willen vechten. Vrouwen willen zorgen. Mannen vinden geweld lekker. Vrouwen niet. In principe dan. „Kennelijk”, zegt hij, „durven we dat weer te erkennen.”

Hij is overgekomen uit Amerika, we zitten in een café bij de Wallen in Amsterdam. Gottschall is gespecialiseerd in literatuur en evolutie. Hij doceert Engels aan het Washington and Jefferson College in Pennsylvania. Hij gaat verder: „De mensen die toen verkondigden dat alle verschillen gedetermineerd waren door de maatschappij zeggen nu dat ze het nooit geloofd hebben. Ze wílden het geloven. Het was politiek correct. Ze streefden naar gelijkwaardigheid. Als je gelijkwaardigheid wilt, kun je beter onder ogen zien dat er, als het om geweld en agressie gaat, grote verschillen tussen mannen en vrouwen bestaan.”

Het marketingverhaal bij zijn boek, Echte mannen vechten, gaat zo: Jonathan Gottschall (42) was een wat dikkige docent Engels aan een kleine universiteit in Amerika die op een dag besloot om zijn midlifecrisis te bestrijden door aan mixed martial arts te gaan doen. Dat is een full-contact vechtsport in een draadstalen kooi waarbij ongeveer alles is toegestaan, met als doel de tegenstander zo ernstig mogelijk te beschadigen. Je voelt hem al: Gottschall knapte er enorm van op en leerde gaandeweg van alles over de man als soort en over zichzelf als man.

We hebben deep down dierlijk gedrag

In werkelijkheid – dat zie je al snel als je Echte mannen vechten leest – was Gottschall als ondermaats en vaak gepest jongetje met veel broers altijd al geïnteresseerd in krachtmetingen tussen mannen, en wie er dan om welke reden won of verloor. Rond zijn twintigste deed hij aan karate. „Al had ik”, zegt hij, „weinig talent.”

En die belangstelling van hem voor biologie begon ook rond zijn twintigste, tijdens zijn studie Engels. Bij toeval las hij The Naked Ape (1967) van de Engelse zoöloog Desmond Morris. Daarin wordt naar mensen en hun gedrag gekeken als naar een diersoort met deep down dierlijk gedrag. Dat vond hij een eyeopener.

Vanuit dat evolutionair biologische perspectief ging hij de Ilias van Homerus analyseren. Hij schreef er een van zijn eerste boeken over, The Rape of Troy (2008). Die hele Ilias – over de wraak van Achilles in de Trojaanse oorlog – kon volgens hem verklaard worden door het enige waar het in de natuur om gaat: voortplanting. Mannetje moet in de competitie om het vruchtbaarste vrouwtje bewijzen wie de sterkste is.

Met die ogen heeft Gottschall voor Echte mannen vechten naar het – in zijn woorden – krankzinnig rauwe geweld bestudeerd dat mannen elkaar in de sportschool op vrijwillig basis en met groot genoegen aandoen. En hij heeft er als participerend onderzoeker dus ook aan meegedaan.

Wat hij daarover schrijft is een vorm van geweldsporno. Zwellend vlees, puilende ogen, rondspattend bloed, krakende botten. Maar de theorievorming eromheen is wetenschappelijk onderbouwd en serieus. Mannen móéten dit doen vanwege die dierlijkheid.

Wat er ook bij hoort: elkaar na afloop knuffelen en op de wangen zoenen. Niks persoonlijks hoor, dat ik je armen uit de kom probeerde te trekken en je strot dichtkneep tot je blauw zag. Ik wilde alleen maar weten of ik de sterkste was. Gottschall: „Het is hartelijk en constructief, dat vechten, en ook al heb je verloren, je weet dat je moedig en dapper bent. Je hebt het gedurfd.”

Want ja, apenmannen doen ook zo

Apenmannen doen het ook zo. En sommige soorten mieren. Natuurlijk, zegt Gottschall, is dat vechten geritualiseerde oorlog die echte oorlog moet voorkomen. Echte oorlog is vanuit evolutionair oogpunt erg duur. Al die levens die het kost, van al die jonge en krachtige exemplaren. Als twee mierenkolonies even sterk zijn, draait een oorlog voor beide partijen op een ramp uit. Dus als hun verkenners elkaar bij de grens treffen, halen ze versterking en gaan ze daarna in bataljons tegenover elkaar staan. Maar ze knippen elkaar niet in stukken en besproeien elkaar ook niet met dodelijk mierenzuur. Ze klimmen op steentjes om groter te lijken, pompen hun onderlijven op en timmeren met hun antennes op elkaars lijven. De mieren die zich het meest laten intimideren erkennen hun verlies en geven een deel van hun grondgebied op.

Net honkbal. Of voetbal. Ook allemaal geritualiseerde oorlog, zegt Gottschall. Maar waarom kijken de meeste mannen dan liever naar sport, met veel bier en worst erbij, waardoor ze zelf veranderen in slappe papzakken? Ontkennen die hun genen? Schot voor open doel, vindt Gottschall. „Die mannen bewonderen de kracht en de moed van de sporters, en ze fantaseren dat ze zelf ook zo zijn. Ze identificeren zich met hen, maar zonder de risico’s. Sportwedstrijden, en helemaal vechtsportwedstrijden, zijn gevaarlijk en angstaanjagend. De meeste mannen zijn daarvoor niet gemotiveerd.”

Hij dus wel. Was hij niet bang? „Verschrikkelijk bang”, zegt hij. „Ik hoopte dat mijn vrouw het me zou verbieden. Maar ze deed er heel luchtig over.”

Nu vecht hij niet meer, te veel blessures opgelopen, te bang voor blijvende hersenbeschadiging. Helaas, zegt hij, komt hij weer aan. Voordat hij ging vechten woog hij 90 kilo. Tijdens: 77. Nu: 86.

Wat heeft hij door het vechten over zichzelf geleerd? „Dat ik niet gemeen genoeg ben om iemand helemaal kapot te slaan.” Maar hij heeft ook meer respect voor zichzelf gekregen, omdat hij zijn angst overwonnen heeft en zich een echte man voelt, in de evolutionair biologische betekenis. Respect in a guilty sense. Vechten is wel erg ongeciviliseerd voor een keurige wetenschapper.