Jarige Parade biedt weinig reden tot gejuich

Partymonster
Partymonster Foto Sanne Peper

De Parade viert haar 25-jarige jubileum, maar de eerste worp voorstellingen die in Rotterdam te zien zijn, geven nog geen aanleiding tot gejuich. Curieus is de terugkeer van een oud misverstand: het toelaten van theatermakers die geloven dat je op de Parade alles maar kan maken, omdat het publiek het toch wel slikt.

Zeker, er gaat een zekere charme uit van het idee dat de zussen Monique en Suzanne Klemann, frontvrouwen van het voormalig hitduo Loïs Lane, een parodie op zichzelf opvoeren. Met gevoel voor zelfspot spelen ze in The Last Dance twee afgegleden zangeressen in een verloederde nachtclub, die ze met de moed der wanhoop overeind proberen te houden.

Het Paradepubliek staat in hun club, waar zij en twee andere beduimelde showexemplaren hun liedjes zingen en playbacken. Hoe dat gaat, is zelfs voor camp te rommelig. De lijn tussen het imiteren van mislukking en echte tinnef is dun, maar verweerde discostampers als Hot Shot zorgen ervoor dat het publiek alsnog in beweging komt. Het plotje over de interne ruzie („Dat gedrink! Dat gesnuif!”) mag geen naam hebben, de sfeer komt van de jukebox. Vroeger was die een kwartje, nu acht euro.

Harry Piekema, die beroemd werd als die druif van een bedrijfsleider in AH-reclames, heeft beter zijn best gedaan. Ook zijn solo, getiteld Onbekend, gaat over de tol van de roem, die bij hem nog niet voorbij is. Interviews te over kon hij doen toen hij stopte als reclameacteur, maar „toen werd het stil”. Piekema is een vaardige causeur, die vlot vertelt over weinig florissante aanbiedingen voor nieuwe rollen, maar eigenlijk wil hij vooral liedjes zingen.

Daar zit een mooie tekst tussen over het omarmen van je depressie („Wees mijn lot, kom maar hier, wees mijn lot, kom maar op”), maar in de zang en spel op de autoharp laat Piekema wel erg veel steken vallen. Als het dan lukraak verder gaat over idealen, liefde en elkaar leren kennen, valt zijn half uurtje geheel uit elkaar.

Professioneel, doordacht theater komt van Toneelgroep Oostpool, dat in Partymonster een hallucinerende trip opvoert. Nik van den Berg speelt in naveltruitje en op plateauzolen een monoloog als Michael Alig, feestdirecteur van de nacht in de jaren negentig. Dj Joost van Bellen zorgt voor striemende beats en drie uitstekende dansers spelen dat ze dood neervallen tussen jongens die hun naaktheid tonen.

Bij deze viering van het hedonisme spat de energie van het podium. Maar de exuberante tekst over deze doorwaakte drugsreis lijdt aan eenvormigheid. Partymonster is voor Parade-begrippen flink rauw en ruig, maar het onderwerp doet gedateerd aan – dit komt 20 jaar te laat.

Hors concours is Loes Luca, die in haar nagebouwde huiskamer een mix van reality en talkshow creëert. Voor het publiek zijn vier vakken gecreëerd, waar het kan staan, vijf minuten per vak: een letterlijk doorlopende voorstelling. Elk moment is haar show anders, maar het kan dus gebeuren dat je de dansers van Luca’s dansschool ziet optreden, waarna Pierre Bokma binnenwaait. Waardoor je snel opnieuw in de rij gaat staan. Zodat je vervolgens Bokma – na het nuttigen van wijn, haring en jenever – zo maar even, wauw, een stukje monoloog van Shakespeares Romeo ziet doen.