‘Ik ben niet meer zo snel tevreden’

Deze week begint haar eigen Kamermuziekfestival in Utrecht. Het gaat goed met violiste Janine Jansen (37).

„Drie keer een weekend repeteren voor één werk? Waarom zou je? Maar die intensiteit is wat ik nu zoek.”

Janine Jansen en bevriende musici tijdens de vorige editie van haar kamermuziekfestival in het Utrechtse TivoliVredenburg
Janine Jansen en bevriende musici tijdens de vorige editie van haar kamermuziekfestival in het Utrechtse TivoliVredenburg Foto marco borggreve

Ontspannen oogt ze, in bloesje en jeans. Sinds de veelbesproken burn-out in 2010 weet Janine Jansen zeer goed hoe ze zichzelf moet ‘managen’. Ze pendelt met haar man, dirigent/cellist Daniel Blendulf, tussen twee appartementen: één in Utrecht, voor haar thuisgevoel, één in Stockholm, voor het zijne. „Zweeds ben ik aan het leren. Het gaat niet hard, maar ik wil het wel echt onder de knie krijgen. Al was het maar om de taal om me heen te verstaan en met mijn nichtje en neefje te kunnen communiceren.”

Haar agenda telt circa tachtig concerten per jaar nu, „al heb ik ze niet precies geteld.” Om de stress beheersbaar te houden, werkt ze in blokken. Met het vioolconcert van Mendelssohn dat ze vorige week (5 ballen) speelde bij het Koninklijk Concertgebouworkest, was ze kort tevoren ook te beluisteren in San Francisco en Londen. In het najaar zijn er blokken met de vioolconcerten van Brahms, Bartók (het eerste) en Beethoven.

„En ik speel het concert Einsame Fahrt van Anders Eliasson, met Daniel als dirigent. Eliasson was een vriend van hem, en ook ik heb hem relatief kort voor zijn dood in mei 2013 nog ontmoet. Dit concert wilden we heel graag samen spelen. En we hebben ook net samen concerten gegeven in Australië. Dat was ontzettend leuk, in Sydney waren we liefst gebleven. Maar je wilt niet de reputatie krijgen van het ‘optredende echtpaar’. De dirigeercarrière van Daniel is dus een extra uitdaging bij het leggen van onze agendapuzzel, en het is zeker niet altijd makkelijk alles in balans te houden. Maar hij verdient zijn succes ontzettend, en uiteindelijk lukt het altijd genoeg samen te zijn.”

Mendelssohn, Beethoven, Brahms: uw agenda, en die van de meeste grote solisten, draait om het IJzeren Repertoire. Sommige critici vinden dat dat de vioolcanon uitholt. Wat vindt u?

„Het is dubbel. Enerzijds wíl ik graag de grote vioolconcerten spelen, omdat ik er ontzettend van houd. Maar ik voel me wel schuldig dat ik niet méér nieuw repertoire speel, zoals ik vroeger wel deed. Het Vioolconcert van Alban Berg zou ik graag instuderen. De Serenade van Bernstein. Sibelius weer eens. Het vioolconcert van Mieczyslaw Weinberg, op aanraden van Boris Brovtsyn. En óók het vioolconcert van Sofia Goebaidoelina, dat ik fantastisch vind. Maar ik beperk me tot één nieuw werk per seizoen. Dit seizoen was dat Michel van der Aa, volgend seizoen is Anders Eliasson, daarna Goebaidoelina en Weinberg.”

Veilige programmering is óók de keuze van orkesten. Wat zegt het Concertgebouworkest als u Weinberg wilt uitvoeren? Kan dat?

„Eh… ja! Dat kan! (lacht). Take it or leave it. Juist in Amsterdam denk ik dat ik me wat avontuur kan permitteren. En als je in een stuk gelooft, moet je het ook doen. Juist doen, vanuit die overtuiging. Maar met mate.

„Ik voel – ouder wordend en nadenkend over dingen die eerder vanzelfsprekend leken – dat ik overall niet meer wil doen, maar juist minder, om zo meer tijd te kunnen besteden aan de projecten die ik wel doe. Ik wil actief op zoek gaan naar nieuwe wegen in oude stukken. Ik ben niet meer zo snel tevreden.”

Kunt u uitleggen hoe dat zoeken werkt in, zegge, het ‘Vioolconcert’ van Mendelssohn? Elke noot kunt u dromen.

„Ik had het stuk een paar jaar niet gespeeld, dat hielp. En ik bespeel sinds kort een nieuw instrument. Met die nieuwe viool ben ik elke streek opnieuw nagegaan, ik heb alles wat ik als vanouds deed ter discussie gesteld met de partituur op schoot. Waarom speel ik daar zacht? Wil ik dat eigenlijk wel? Alles overhoop halen, en alles weer in elkaar zetten. Vervolgens is het zaak de ruimte te nemen om ook weer los te komen van dat studieuze voorwerk, want op het podium wil ik me vrij voelen. En dat kost tijd, veel tijd.”

U bespeelde de Stradivarius ‘Barrere’. Waarom wisselde u van instrument?

„Mijn oude viool kende ik door en door. We waren vijftien jaar samen, hadden meteen een ‘klik’. Maar toen kreeg ik het aanbod een ándere Stradivarius te proberen, uit hetzelfde bouwjaar 1727. Dat maakte me nieuwsgierig. En na een tijdje kwam ik erachter dat dat nieuwe instrument [de Stradivarius ‘Baron Deurbroucq’, red.] me ook nieuwe inspiratie gaf. De klankkleur is vol en donker, zeker op de G-snaar, daar werd ik verliefd op. Achteraf bezien was ik gewoon toe aan een nieuw instrument, alleen had ik het niet door.”

U heeft de viool in bruikleen. Weet u hoe lang u erop mag spelen?

„Echte zekerheid heb ik niet, maar eigenlijk vind ik dat niet meer bezwaarlijk. Door de breuk met de ‘Barrere’ ligt alles open. Een nieuw instrument opent ook nieuwe wegen, heb ik nu ontdekt. Toen ik pas Rosanne Philippens, die mijn oude viool bespeelt, op tv zag, schrok ik. Daar lag mijn viool! Maar daar ben ik overheen. We hebben over het instrument gepraat en ik heb gezien dat zij uit de ‘Barrere’ net zo veel inspiratie put als ik destijds. Dát is wat telt.”

Sommige onderzoekers zeggen dat de beste nieuwbouwviolen net zo mooi zijn als de Stradivarius-violen. Staat u open voor een blindproef?

„Waarom niet? Als een modern instrument wint, is er alleen maar iets gewonnen. Alleen ben ík zo’n instrument nog niet tegengekomen. Niet alle Stradivarius-violen zijn even goed, maar er zijn er die je een gevoel van vrijheid geven dat uniek is. Het is iets in de klank, een soort zingende kernachtigheid... het is moeilijk te verwoorden. Moderne instrumenten kunnen fantastisch klinken: rijk, dragend. Maar er mist altijd iets in de diepgang van de klank dat ik bij een Stradivarius wel vind.”

Op het festival speelt u met een sterke, over de jaren vrij stabiele line-up van ‘friends’. Zijn dat alleen muzikale vriendschappen?

„Het muzikale en het sociale lopen in elkaar over. Een goede sfeer onder de musici op een festival is cruciaal. Geld verdien je met soloconcerten, festivals doe je omdat het leuk is. En je moet elkaar ook mogen om op het podium je emoties te kunnen delen. Maar het is niet zo dat iedereen buiten de concerten de hele tijd samen optrekt. Het kan, maar hoeft natuurlijk niet.”

Heeft u vrienden die geen musici zijn?

„Een paar. Maar met de vrienden die wél musicus zijn, lopen werk en vriendschap door elkaar. Voor de anderen geldt dat niet, en dat maakt het door gebrek aan tijd veel lastiger die vriendschappen goed te onderhouden.”

U speelt dit jaar in het festival Bachs ‘Goldberg Variaties’ in bewerking voor strijktrio. Is dat niet ontzettend veel studiewerk voor één concert?

„Dat project was mijn grote wens, ik wilde dat stuk al heel lang spelen. We hebben jaren geleden o.a. Bachs Inventionen bewerkt voor strijktrio, dat werkte erg goed. Van de Goldberg Variaties was een bewerking door Dmitri Sitkovetsky voor handen, en Nicolas Altstaedt en Nimrod Guez zijn musici met wie ik het graag wilde doen. Dus de tijd was rijp. Alleen dan zie je de Aria staan, en durf je niet te beginnen, haha. Die muziek is zo…”

Ja?

„...perfect. Elke variatie weer net anders van sfeer. En die sfeer moet je meteen treffen, anders maak je het kapot. Dat geeft een groot ‘o jee’-gevoel. Het lijkt zo simpel gecomponeerd, en tegelijkertijd is wat je hoort het tegendeel van simpel.”

Hoe gaat u dan te werk?

„Wederom: door heel veel tijd te nemen. Twee keer drie dagen in Stockholm en Utrecht repeteren voor één concert? Waarom zou je? Maar Nimrod en Nicolas wilden dat óók, gelukkig. We spelen het programma nog twee keer op festivals in Duitsland en Zwitse, dat scheelt. Maar belangrijker is het gevoel van bevrediging dat je krijgt van de diepte ingaan. Die eerste paar dagen samen met hen, met zulke goede noten – dan stolt de tijd en bestaat alleen Bach. Dat is een groot geluk.”

En verder? Lesgeven? Nieuwe cd?

„Mijn laatste cd is twee jaar oud, dus het wordt tijd. Maar ik vind opnames ingewikkeld. Om te beginnen is er de gebruikelijke opnamestress, waar ik altijd tegenop zie. Maar nu zoveel concerten live worden gestreamd en/of op internet na te zien zijn, is de betekenis van cd’s ook veranderd. Een cd moet het tegendeel zijn van zo’n live-uitvoering: een document van een stuk dat je op dát moment voor je gevoel optimaal presenteert. En dat moet dus ook de volgorde zijn. Eerst het besef: dit stuk is af. Dan de cd. Niet omgekeerd, geen cd vanuit het gevoel ‘oh nee, het moet weer gebeuren’.

„Lesgeven zou ik ooit graag doen, maar ik kom er nu nog niet aan toe. Ik vind het wel erg leuk dat ik op mijn festival ook met honderd kinderen ga samenspelen. Op dit moment draag ik mijn ideeën over door er zelf als musicus te zijn, denk ik dan maar.”