Hoge Raad: meer vrijheid vakbonden om te staken

Het stakingsrecht is volgens de rechterlijke instantie te zeer beperkt: staken hoeft niet per se het laatste middel te zijn.

Staking bij Amsta in februari 2013.
Staking bij Amsta in februari 2013. Foto Maurice Boyer

Vakbonden krijgen in Nederland meer vrijheid om te staken. Zij hoeven niet aan te tonen dat zij het stakingsmiddel als „uiterste middel” inzetten, nadat alle andere middelen zijn uitgeput. Dit heeft de Hoge Raad, de hoogste rechterlijke instantie van Nederland, vrijdag bepaald.

Paul van der Heijden, hoogleraar internationaal arbeidsrecht in Leiden, spreekt van een „belangrijke uitspraak”, die „in de boekjes komt”. De spelregels die tot dusver golden voor het staken zijn niet langer houdbaar.

De Hoge Raad geeft vakbond Abvakabo alsnog gelijk. De vakbond is in 2014 volgens de Hoge Raad onterecht op de vingers getikt door het gerechtshof in Amsterdam, wegens een spontane actie in een Amsterdams verpleegtehuis. In 2013 bezetten personeelsleden het Dr. Sarphatihuis, een locatie van zorginstelling Amsta.

De bezetters waren ontevreden over het verloop van cao-onderhandelingen. Het werk werd neergelegd en bestuurders van Amsta mochten niet naar binnen. Volgens Amsta was sprake van een „onaangekondigde bedrijfsbezetting”. Het hof stelde Amsta in het gelijk, maar deze uitspraak heeft de Hoge Raad nu vernietigd.

De Hoge Raad beroept zich op het Europees Sociaal Handvest. Dit is een verdrag dat de landen van de Raad van Europa, waaronder Nederland, in 1961 hebben gesloten. Sinds een uitspraak van de Hoge Raad in 1986 is het Handvest bindend: rechters moeten de bepalingen in het verdrag volgen.

Het Nederlandse stakingsrecht is te restrictief en in strijd met het Handvest, stelt de Hoge Raad. Er gelden in Nederland ‘spelregels’ voor stakingen: bonden moeten eerst onderhandelen met werkgevers over een cao voordat zij tot acties kunnen overgaan. Ook moeten zij hun acties van tevoren aankondigen.

De Hoge Raad stelt nu dat „niet langer” een zelfstandige voorwaarde voor collectieve actie kan zijn „dat zij als uiterste middel wordt ingezet”. Ook stelt de Hoge Raad dat „een werknemersorganisatie in principe vrij is in de middelen om haar doel te bereiken”. Een bezetting, zoals bij Amsta, moet dus mogelijk zijn.

Volgens Van der Heijden betekent dit niet dat er aan het stakingsrecht nu onvoorwaardelijk is. De Hoge Raad wijst ook op de beperkingen die in het Europees Handvest zijn geformuleerd. „Als de volksgezondheid of de openbare orde in het geding zijn, kan de rechter een staking nog steeds verbieden. Alleen, een verbod moet dan voortaan op díe gronden zijn”. Een spoorwegstaking bijvoorbeeld kan nog steeds worden tegengehouden met een kort geding om redenen van openbare orde, zegt Van der Heijden.

In Nederland is het stakingsrecht – anders dan in de meeste landen – niet in de wet vastgelegd. „Dit is bijna net zo’n gevoelig onderwerp als abortus en euthanasie”, zegt Van der Heijden. „Omdat geen politicus zijn vingers eraan wil branden, heeft men het aan de rechter gelaten.”

Daarom kan het stakingsrecht ook veranderen door rechterlijke uitspraken. Het Europees Comité voor de Sociale Rechten, een groep experts die de toepassing van het Europees Sociaal Handvest in de gaten houdt, vindt al langer dat het Nederlandse stakingsrecht niet deugt. In 2004 zei het Comité: „Het feit dat een Nederlandse rechter mag bepalen of stakingen ‘voorbarig’ zijn, raakt aan de kern van het stakingsrecht”.