Culturele rijkdom. En een kruitvat

Telkens onderhandelen. Brutaal. Docenten in het hoger onderwijs vinden het lastig met allochtone studenten om te gaan.

Hoe ziet de ideale student eruit? Dat is een autochtoon meisje met een havo- of vwo-diploma. Haar ouders hebben een goede opleiding. Dat meisje zegt uit zichzelf ‘u’ tegen docenten, studeert lekker door, switcht niet van studie. Er is één probleem: zulke studentes zijn er steeds minder.

Van de studenten heeft 26 procent een ouder die niet in Nederland is geboren. De grotere verschillen leiden tot fricties op hogescholen en universiteiten. Machteld de Jong schreef er het boek Diversiteit in het Hoger Onderwijs over.

De meeste docenten zijn, vanouds, gewend aan witte studenten uit een middenklassemilieu, net als zijzelf. Deze docenten begrijpen hen net zo goed als hun eigen kinderen. Voor allochtone studenten is de universiteit of hogeschool vaker een nieuwe wereld, die ze niet kennen via ouders of familie. De Jong zag dat docenten en allochtone studenten niet altijd even soepel met elkaar omgaan. Doodzonde, vond zij, vooral ook omdat wederzijds onbegrip en wantrouwen leidt tot studievertraging en zelfs uitval.

Is uw boek een handleiding voor docenten?

„Geen handleiding, wel een poging de kloof tussen docenten – nog steeds relatief vaak autochtone mannen boven de vijftig – en hun studenten te verkleinen. Ook al heb je totaal andere opvattingen, achtergrond en gedrag, je kunt elkaar altijd beter leren kennen en leren aanvoelen. Als dat gebeurt, gaat het eigenlijk altijd beter.”

Waarom onderzocht u het studiesucces van allochtone studenten?

„Ik ben ook de eerste van mijn familie die ging studeren. Ik voelde me verloren op de universiteit. Je treedt een ander milieu binnen, een milieu dat je niet kent, niet hebt meegekregen. Tegelijkertijd voel je de druk van je familie dat je moet slagen. Ik zag datzelfde bij allochtone studenten.”

U kwam in 1999 in het onderwijs terecht. Wat viel op?

„Er waren toen nog relatief weinig allochtone studenten. Ik zag de hogeschool waar ik werk in tien jaar tijd verkleuren. En ik zag problemen ontstaan. In 1999 en 2000 werden allochtone studenten als ‘buitenlanders’ gezien, maar verder waren ze geen enkel probleem. Na 2001 sloeg die sfeer om en kregen vooral islamitische studenten het moeilijker. Opeens werden ze in de eerste plaats als moslim gezien. Hun werd gevraagd zich te verantwoorden voor dingen die moslims elders in de wereld doen.”

Sinds 2001 is het aantal allochtone studenten toch alleen maar gegroeid?

„Ja. Universiteiten en hogescholen zijn melting pots van mensen met allerlei achtergronden. Niet allen zijn er kinderen met Marokkaanse, Turkse, Surinaamse, Antilliaanse ouders, maar ook kinderen van vluchtelingen, buitenlandse studenten. Het is een rijkdom aan culturen, gewoonten, ervaringen, maar ook een kruitvat.”

Welke problemen ondervinden studenten met andere achtergronden?

„Voor allochtone studenten is er vaak een wereld van verschil tussen het leven thuis en binnen een universiteit. Hun ouders zijn vaak laag opgeleid, hebben geen idee in welke wereld hun kinderen verblijven. Maar ze hebben wel hoge verwachtingen: ‘We zijn voor jullie toekomst naar Nederland gekomen, doe je best en stel ons niet teleur.’

„Studenten voelen zich vaak niet thuis. Ze denken constant: ‘Wat vinden ze van me?’ Surinaamse studenten worden uitgelachen vanwege hun accent. Marokkaanse studenten hebben het gevoel dat ze als ‘die Marokkaan’ worden gezien. Ze voelen zich ongemakkelijk en niet gesteund door docenten.”

Een student in De Jongs boek: „Ik deed het heel goed op de basisschool. Toch kreeg ik vmbo-advies. Ook daar was ik de beste maar ik mocht niet switchen naar de havo. Ik heb altijd gedacht dat het een soort complot tegen mij was.”

De auteur: „Een student vertelde me dat de docent op de eerste dag van het college zei dat allochtone studenten zijn vak vrijwel nooit halen.”

En docenten?

De Jong: „Docenten vinden het vaak ongemakkelijk met allochtone studenten om te gaan. Ze vragen zich af of ze hen wel kunnen vertrouwen, vinden hen intimiderend, agressief, eergevoelig.”

Een 62-jarige docente vertelt in het boek: „Veel allochtone studenten zijn weinig bekend met de omgangsregels en normen die in de samenleving vanzelfsprekend zijn. Het is toch ook gewoon onbeleefd dat, als een les om kwart over negen begint, je telkens met een groep om half tien binnenkomt, hard lachend, pratend en handenschuddend.”

Machteld de Jong: „Dit geldt natuurlijk lang niet voor alle studenten, maar een paar van zulke ervaringen kleuren de opvattingen van docenten. Je hoeft er niet in mee te gaan als docent, maar je hoeft het je ook niet persoonlijk aan te trekken.”

Allochtone studenten, blijkt uit de interviews, benaderen docenten vaak anders dan autochtone studenten. Sommige Marokkaanse en Turkse Nederlanders zijn geneigd te onderhandelen over cijfers, soms wegens druk van familie. Zo kreeg een docent het mailtje: „Beste mevrouw, Mijn familie rekent op mijn diploma. [...] Ik reken op u dat u mij helpt met afstuderen en het mij niet te moeilijk zult maken.”

Of neem dat mailtje van een Turkse jongen die niet was komen opdagen toen een gecorrigeerd examen kon worden ingezien. Hij mailde met de vraag of het op een ander moment zou kunnen. Ik kan dan en dan, liet hij weten.

De Jong: „De meeste docenten vinden het lastig om te gaan met het onderhandelen en de brutaliteit van sommige studenten. Veel lastiger dan met religieuze regels die sommige studenten hanteren – halal eten, geen alcohol, bidden, mannelijke studenten die een vrouwelijke docent geen hand willen geven. Meestal wordt daar een pragmatische oplossing voor gevonden.”

Moeten docenten meer accepteren?

„Zeker niet. Docenten kunnen duidelijk zeggen wat wel en niet kan, zonder zich persoonlijk aangevallen te hoeven voelen. En als de ene jongen brutaal is, betekent dat niet dat een andere jongen met dezelfde achtergrond dat ook zal zijn.

„Docenten hebben vaak last van vooroordelen. Studenten ook. Als je docenten ernaar vraagt, geven ze dat ook wel toe.”

Uit het boek: „Ik vind het toch pijnlijk als een allochtone student na periode 1 echt goed in mijn vak blijkt te zijn en dat ik dan nog altijd denk: ‘hé, hoe kan dat?’ Het zegt iets over de studieprestaties van deze studenten en mijn beeldvorming over de groep.”