Wat je bent, zeg je zelf

Joyce Roodnat

Kunst trekt lange neus. Kings of War. Swinging Sixties London. Taxi Teheran. Intervention.

Ach en wee wordt er geschreeuwd over de modemeisjes op catwalks en in magazines. En soms kerm ik mee. Modellen? Skeletjes! Gladiatoren in dienst van de modekeizers. En hadden de Romeinse gladiatoren nog iets heldhaftigs, de modellen staan met hun visgraatlichamen en potloodbenen voor het armageddon. Voer ze, verbied ze. Ze moeten dikker, anders stevenen we af op de morele afgrond.

Hoho. FOAM, het fotografiemuseum in Amsterdam roept me tot de orde, met de tentoonstelling Swinging Sixties London – Photography in the Capital of Cool. Daar, op de foto’s van Terence Donovan, Brian Duffy en John ‘Hoppy’ Hopkins huppelen legendarische modellen. Twiggy, Jane Birkin. Heel jong en heel dun. Van zichzelf. Via de kleine kleren voor hun lappenpoplijven, spillebenen en van weeromstuit enorme voeten, trokken ontwerpers als Mary Quant een lange neus naar de Parijse modehuizen. Naar Dior en Balmain en zo. En naar hun deftige dames.

Niet dat ik dat allemaal wist, toen in Capelle aan den IJssel de meisjes uit de kerk van dominee Vlot (dit is geen grap, zo heette die man) mij, spriet van veertien, uitjouwden om mijn mini-jurkje. Zielig? Nee hoor. Kon me niks schelen. Ik herinner me zelfs vage trots. Ik wist iets waar zij nog wel achter zouden komen.

Wat me in het FOAM weemoedig stemt zijn de foto’s van de jongens: eventjes waren ze gretige paradijsvogels, dedicated followers of fashion. „His clothes are loud but never square”, in de woorden van The Kinks. Het is voltooid verleden tijd, maar zo was het. Echt. Tot het abrupt verdwenen was en jongens en mannen zich weer terugtrokken in nette pakken in gedekte tinten en non-descripte vrijetijdskleding.

In het stuk Kings of War verenigt theatermaker Ivo van Hove drie van Shakespeares koningsdrama’s. Vierenhalf uur theater vliegt om, met de ene middeleeuwse potentaat na de andere. Historisch gesproken imponeerden die koningen hun entourage met bont, brocaat, juwelen. Maar in dit stuk dragen ze, nee zíjn ze, een legeruniform (de rechtschapen Henry V), een gestreepte pyjama (de nerd Henry VI ) en een te krap colbert (de gek Richard III). Veel hedendaagse Shakespeare-voorstellingen doen dat zo, al jaren. Hun regisseurs zijn als de dood voor de praal van mannen. Maar Van Hove laat de koningen hete tranen huilen, wat alles goed maakt. Drie maal natte mannenwangen bij Shakespeare. Dat is een doorbraak.

Het decor voor de beide Henry’s is een strakke war room, met videoschermen en telefoons. Voor Richard III is die war room de huiskamer, met een bankstel, kussens en taart op tafel: hij voert oorlog tegen zijn familie. Hans Kesting speelt hem grandioos, als een wrokkige gorilla. Mismaakt en miskend. Richard III is het personage van het beroemde: „A horse! A horse! My kingdom for a horse!”. Het is de mooiste wanhoopskreet die Shakespeare schreef, vind ik. Wat doe je ermee?

Hans Kesting speelt paardje. Galopperend rent hij rondjes, buiten adem slaakt hij de zin. Eindelijk is hij het gelukkige jongetje dat hij had willen zijn. Dat iedereen wil zijn. Wat dus kán als je dat besluit, zelfs oog in oog met je wisse dood. Verward staan we op en applaudisseren onze handen rood.

De greep naar geluk is zijn wie je wilt zijn. De kunsten doen er alles aan om dat te benadrukken.

De Iraanse censuur verbood de filmer Jafar Panahi zijn vak uit te oefenen. Niettemin is er nu een film van hem te zien: Taxi Teheran. Filmer? Hij? Hij is taxichauffeur, hij rijdt door de stad en pikt vrachtjes op. In de microkosmos van zijn, zo te zien van drie kleine camera’s voorziene, auto komen allerlei personages langs. Een sjacheraar die illegaal Amerikaanse dvd’s verkoopt. Een (echte) mensenrechtenadvocate. En niet te vergeten de ster van de film, Panahi’s jonge nichtje, grappig en messcherp. Zo ontstaat er een film, een klein meesterwerk. En zo is Panahi dus toch een filmer.

Je kunt zijn wie je wilt zijn. Maar wie wil je zijn? Via die vraag ontrafelt Naomi Velissariou, de wildcat van het Nederlandse theater, unverfroren filosofisch hoe de moderne mens gemangeld wordt. Wat hij wil zijn, wordt hem voorgekauwd door de sociale media en de formules van talkshows en realitytelevisie. Haar stuk heet Intervention: de hel, dat zijn nog altijd Jean-Paul Sartres anderen met hun interventies. Maar wat je zegt, ben je zelf. Niet naar anderen luisteren. Laat ze de pip krijgen. Dat is je enige kans.