‘Verlangens kunnen afschuwelijk zijn’

Forensisch psycholoog Inge Schilperoord beschrijft in haar roman Muidhond het malende brein van een pedoseksueel. Bij een broodje zalm praat ze over delinquenten die toch aardig zijn.

Forensisch psycholoog Inge Schilperoord schreef een roman over een pedoseksueel. De titel van het boekMuidhond verwijst naar het huisdier van de man: een zeelt, een zoetwatervis.
Forensisch psycholoog Inge Schilperoord schreef een roman over een pedoseksueel. De titel van het boekMuidhond verwijst naar het huisdier van de man: een zeelt, een zoetwatervis.

Aan het Zuiderstrand bij Scheveningen, ter hoogte van strandslag 11, zit Inge Schilperoord aan een houten picknicktafel te werken. Naast haar staat een leeg flesje cola light, voor haar ligt het strand en de zee, achter haar beginnen de duinen. Achter die duinen ligt de wijk waar ze haar debuutroman situeerde. Een wijk in afbraak, desolaat en zanderig. Een strookje huizen staat nog overeind, slechts een paar zijn bewoond. In Muidhond woont er een astmatische moeder met haar dertigjarige zoon Jonathan. In het huis ernaast een afwezige moeder met haar dochtertje. Jonathan is pedoseksueel, het buurmeisje nog geen tien.

Dat gaat mis. Dat denk je, als lezer. Je verwacht het, je vreest het, je ziet het gebeuren, maar ingrijpen kan niet en het voorkomen evenmin. Net zo min trouwens als Jonathan dat zelf kan. Een boek lang zit de lezer in Jonathans hoofd en beleeft met hem zijn gevecht tegen het onvermijdelijke.

Het verhaal begint met zijn ontslag uit de gevangenis, waar hij vastzat voor een eerder, niet nader benoemd delict met een ander kind. Wegens gebrek aan bewijs ontloopt hij een gedwongen behandeling in een tbs-kliniek, maar vervolgens wordt hij de gevangene van zijn lusten. Opgesloten in zijn eigen, verwarde denkwereld.

Zie hoe hij hardnekkig probeert toe te passen wat de gevangenispsycholoog hem leerde. Hoe hij twee keer per dag zijn gemoedstoestand probeert vast te leggen in het therapeutisch werkboek waarin hij in de gevangenis is begonnen. Foute gedachten herkennen, cognitieve vervormingen ontmaskeren, spanning signaleren, impulsen bedwingen. Uit alles blijkt dat hij een geweten heeft, zich schuldig voelt, zijn eigen gedrag veroordeelt. Hij is dader, en slachtoffer van zijn eigen driften. Met die paar psychologische hulpmiddelen, die hij waarschijnlijk ook nog maar voor de helft begrijpt, is hij onmachtig zichzelf te stoppen.

Muidhond is Inge Schilperoords romandebuut. Van vrijwel alle recensenten kreeg haar boek het maximaal aantal sterren of ballen (in NRC Handelsblad vier van de vijf ballen). En dat ondanks het onderwerp. Zeggen dat Inge Schilperoord begrip kweekt voor een zedendelinquent is misschien wat overdreven, maar iets van sympathie voor Jonathan krijg je al lezend zeker: die arme jongen, hij kan het ook niet helpen dat hij zulke neigingen heeft. Inge Schilperoord geeft een kijkje in het malende brein van een pedoseksueel.

Nou is Inge Schilperoord forensisch psycholoog. Ze onderzoekt de psychische toestand van verdachten en veroordeelden in tbs-klinieken, gevangenissen en observatiekliniek Pieter Baan Centrum. Zij is er niet om delinquenten te behandelen, zij is er om een diagnose te stellen. Leed de verdachte op het moment van het delict aan een psychische stoornis, en in hoeverre valt hem de misdaad aan te rekenen? Schilperoords beroep geeft Muidhond een dimensie extra. Zij heeft toegang tot gedachtenwerelden die zich zelden openen voor vreemden. Wat ze schrijft, zou waar kunnen zijn. Natuurlijk, het is fictie, een roman. Maar toch, die Jonathan, die zo plichtgetrouw zorgt voor zijn oude moeder, zijn mottige hond en zijn zieltogende muidhond (een soort karper).... Bestaat hij echt?

Ja en nee, zegt ze. Ja, ze heeft een man ontmoet die een soortgelijke worsteling doormaakte als haar personage. „Hij zat in een tbs-kliniek, al jaren. Zijn behandeling verliep niet goed. Ik onderzocht, als psycholoog van buitenaf, of verdere behandeling nog effect zou hebben. Hij zou worden overgeplaatst naar de long stay-afdeling.” Daar komen uitbehandelde tbs’ers terecht die niet meer terug mogen naar de wereld buiten de kliniek. Ze formuleert voorzichtig: „Ik had met die man te doen. Zijn eenzaamheid. Zijn schuldgevoelens.” En nee, Jonathan bestaat niet. „Ik heb mannen onderzocht die op hem lijken.” Vertelden die haar zo precies wat ze voelen? „Niet altijd zo expliciet. Maar ik lees hun politiedossiers, soms dagboeken, sms’jes die ze aan kinderen hebben verstuurd.”

En dat zijn heus niet alleen maar gewetenloze monsters. Jonathan is dat ook niet. Hij geeft om het meisje, zorgt voor haar, wil haar beschermen. Deels tegen zichzelf. „Hij wil haar geen pijn doen, maar weet tegelijkertijd dat hij de oorzaak van haar ellende zal zijn. Ik hoor vaak van mensen met een verslaving dat zij zich in hem herkennen. De tweestrijd tussen wat je wil, maar wat schadelijk is voor jezelf. Of voor anderen.” Daden, gedrag, verlangens en delicten kunnen afschuwelijk zijn”, zegt ze. „Maar toch kun je sympathie voor daders voelen. Vroeger vond ik dat heel verwarrend.”

We eten, heel strandachtig, makreel en zalm en drinken cola. Als kind woonde ze bij de duinen, nu woont ze weer op fietsafstand van de zee, samen met haar vriendin. Ik vraag wat ze vroeger wilde worden. „Schrijver.” Bij haar moeder thuis moet nog een brief liggen die ze op haar vijftiende aan Renate Dorrestein schreef. „Ik vroeg haar schrijftips.” Nooit durven versturen. Nu staat er een blur („Allemachtig, wat een geweldig boek”) van Renate Dorrestein op de kaft van Muidhond. Las ze graag? Ze knikt. Lekker erge boeken. Christiane F., boeken van Sylvia Plath, Het verrotte leven van Floortje Bloem van Yvonne Keuls. „Ik was geïnteresseerd in afwijkende geesten.” Ze ging in Leiden psychologie studeren in een tijd dat onderzoek naar afwijkende, criminele geesten nog geen afstudeervak was. „Ik heb mezelf als stagiaire aangeboden bij het Pieter Baan Centrum.” Op haar vierentwintigste voerde ze, alleen, gesprekken met verdachten. „Ik was heel jong. Te jong, denk ik soms.”

Bestseller

En nu is ze schrijfster. Ze lacht breed. Het heeft haar jaren gekost. „Tussen mijn eindexamen en mijn studie ben ik al eens aan een boek begonnen. Drie hoofdstukken. Later heb ik het weer geprobeerd. Ik had personages, de sfeer, maar ik liep vast in het plot.” Vijf jaar geleden zegde ze haar vaste baan op bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie. „Af en toe een paar uurtjes schrijven, dat schiet niet op. Ik besloot het schrijven als een parttime baan te zien. Van 9 tot 2 was ik schrijver, en daarna freelance psycholoog.”

Ze schreef zich in bij de Schrijversvakschool, een vierjarige opleiding tot schrijver. „Vaak zeiden mensen: een schrijver ben je, dat kun je niet worden. Zo gek. Dat zeg je toch ook niet tegen een student aan een kunstacademie? Je kunt aanleg of talent toch ontwikkelen?” Ze studeerde af met Muidhond, haar begeleidster gaf haar een 9 plus. Dat was vorig jaar juni. „Verder had niemand het gelezen, ook mijn vriendin niet.”

Een jaar later is het een bestseller. Geen boze reacties van lezers gekregen, gezien het onderwerp? „Nee, dat had ik wel verwacht.” Ze zit niet op Facebook of Twitter, dus het kan zijn dat ze het een en ander heeft gemist. „Soms zeggen mensen met kinderen dat ze het liever niet lezen. Ik heb zelf geen kinderen, maar ik begrijp die gevoelens.” Of is de Nederlandse lezer niet zo snel geschokt? Ze aarzelt. „Pedofilie en pedoseksualiteit blijven lastige onderwerpen.” Ze was op een congres, in Amerika. „In een aantal staten zijn therapeuten verplicht het bij justitie te melden als een cliënt gewag maakt van pedofiele gevoelens. Ook als het alleen maar gevoelens zijn, hè. Zo maak je gedachten strafbaar. Wie moet je dan nog je gevoelens toevertrouwen?”

Als schrijver, zegt ze, is ze dichter bij de belevingswereld van ontuchtplegers gekomen, dan als psycholoog. „Personages kun je op de huid zitten. Al schrijvend verschaf je je toegang tot hun diepste geheimen.” Ze is door het schrijven van dit boek ook anders naar haar vak gaan kijken. „Ik heb zo diep in mijn personage gezeten. Ik denk nu meer vanuit de persoon die wordt onderzocht.” Ze spreekt nooit over cliënten (want dat zijn het niet) of over patiënten (want of ze dat zijn, weet ze nog niet) maar over ‘onderzochten’. „De kloof tussen psycholoog en onderzochte is vaak groot. Hun achtergrond, hun leefwereld, hun denkkader. Niet iedereen is gewend over zichzelf na te denken en te reflecteren. En dan dat psychologenjargon...” Dat lijken sommige criminelen anders perfect te beheersen. „Maar het is de vraag of we er hetzelfde mee bedoelen.”

Meer dan ooit is ze zich bewust van het machtsverschil. „Ik, als psycholoog, kan hun leven veranderen. Soms zijn ze bang voor me. Voor mijn oordeel althans. In gevangenissen horen verdachten die naar het Pieter Baan Centrum moeten de raarste verhalen. Dat wij ze voor gek verklaren en ze voor de rest van hun leven opsluiten in een kliniek.”

Meer dan ooit is ze in staat onderzochten te zien „als geheel mens”. „Het verbaast me niet meer als ik iemand aardig vind die iets verschrikkelijks heeft gedaan.” En is iemand die iets verschrikkelijks heeft gedaan, altijd gek? „Niet per se.” Een collega-psycholoog las haar boek. „Die zei, over ontuchtpleger Jonathan: ‘die is natuurlijk autistisch’.” Ze was bij een leesclub waar haar boek werd besproken. „Een vrouw wist zeker dat hij depressief was. Zij was pedagoog. Hij werd zwakbegaafd genoemd. Dwangmatig, neurotisch.” Ze lacht. „Diagnoses vliegen me om de oren. Ik bemoei me er niet mee, de lezer mag het bepalen. Zo bevrijdend dat ik, als schrijver, nou eens een keer niet een oordeel over iemands psyche hoef te vellen.”