Van landschap naar lafschap

Foto Luciano Gaudenzio /SIME

K is van kaalslag. De Oxford Junior Dictionary, een woordenboek voor zevenjarigen, heeft in zijn jongste edities tientallen ‘natuurwoorden’ verwijderd. Acorn (eikel), ash (es), beech (beuk), bluebell (wilde hyacynth), bramble (braamstruik), brook (beek), clover (klaver), en zo verder tot willow (wilg) en wren (winterkoninkje). Allemaal geruimd. Ze moesten plaats maken voor attachment, blog, broadband, bullet point, cut & paste – het moderne Esperanto van de grote stad en beeldschermkijken.

Begin dit jaar stak er een stormpje over op. Een reeks Engelstalige auteurs verweet de uitgever dat hij zo ‘de historische band tussen kinderen en de natuur’ uiteen liet rafelen. Een van de ondertekenaars van de open brief was de Britse schrijver Robert Macfarlane. Zijn nieuwste boek, Landmarks, heeft de relatie tussen landschap en taal als onderwerp.

‘Het buiten zijn en het natuurlijke worden verdrongen door binnen zitten en het virtuele’, schrijft hij over de verdwenen woorden. Het zijn er nog geen veertig, maar ze staan voor de bredere verschraling van onze blik op de natuur. Veel kinderen kunnen inderdaad geen berk van een beuk meer onderscheiden. Wat niet verwonderlijk is als je weet dat veertig procent van alle Britse tienjarigen nog nooit in een bos is geweest. De subtielere details waarmee we de wereld buiten de stadsrand kunnen beschrijven vervagen. Dan blijven er alleen algemene woorden over: heuvel, bos, vallei. En de taal van kosten en baten: opbrengst per hectare, aantallen toeristen. ‘Zo wordt een landschap een blandscape’, schrijft Macfarlane, wat misschien als ‘lafschap’ is te vertalen.

Is die ontwikkeling onvermijdelijk? Misschien: streektalen sterven uit, met het spinnenwiel en de zeis. Taal weerspiegelt nu eenmaal dat buitenlucht en handenarbeid een steeds kleinere rol in onze westerse levens spelen. Is het ook erg dat ons groene vocabulaire kleiner wordt? Ja – en dat is het dragende idee van Macfarlane’s boek – want mét de taal verarmt ook de natuur zelf. De woorden waarin een landschap wordt beschreven zijn een wezenlijk bestanddeel van datzelfde landschap, betoogt hij. Een landschap bestaat ook in de taal.

‘Het is niet zo dat natuurlijke fenomenen zelf verdwijnen’, schrijft Macfarlane, ‘maar wel dat er steeds minder mensen zijn die ze kunnen benoemen. En naarmate ze naamlozer worden, worden ze minder gezien.’

Windmolenpark

Macfarlane illustreert dat met een prachtig voorbeeld van het omgekeerde: dat taal een landschap ook kan redden. In Lewis, een van de Outer Hebrides, de meest westelijke van de Schotse eilanden, waait het altijd en veel mensen wonen er niet. Ideaal terrein voor een windmolenpark, was tien jaar geleden de gedachte. Midden op het eiland zouden 234 windmolens verrijzen, elk met een hoogte van 180 meter. Dat stuk Lewis was volgens de voorstanders toch niets meer dan een ‘lege, waardeloze turfvlakte’.

Dat werd het ‘frame’ van de tegenstanders: aantonen dat die amorfe veenwoestijn wel degelijk een gezicht had. Ze begonnen verhalen te verzamelen over het gebied waar generaties voorouders turf staken en schapen hoedden. Ze maakten kaarten met oude routes. En ze tekenden nauwgezet op welke oude woorden bij dat landschap hoorden.

Om een indruk te geven: lèig-cruthaich is in het Gaelic van de Hebriden een wankel stuk veen met water eronder (in Nederland zeker zo trefzeker bekend als ‘trilveen’) en rionnach maoim staat voor zoiets als ‘de bewegende schaduw van cumulus-wolken over het veen op een zonnige, winderige dag’.

Bij elkaar meer dan honderd woorden – nee, gebeurtenissen – die voor uitsterven zijn behoed door ze op te tekenen. Het zijn fossielen, meent Macfarlane, ‘kleine gedichten over het landschap die liggen opgerold in zelfstandige naamwoorden en werkwoorden’. Het Peat Glossary, het turflexicon, hielp het tij keren. Het windmolenpark zou er niet komen.

Lewis is flatland. Daarna trekt Macfarlane hoofdstuk voor hoofdstuk door uplands, waterland, kustland, bosland, het ‘rafelland’ waar de grote stad overgaat in iets waar vroeger het platteland begon, en zelfs een onderwereld van oude mijnschachten en grotten. Na elk hoofdstuk volgt dan een ‘glossarium’ met woorden in alle talen en dialecten van de Britse eilanden die hij zijn hele wandelende leven heeft ‘gehamsterd’, zoals hij zegt, en die je nieuwe oren en ogen geven.

Van het Welshe onomatopee ffrwd, een snel stromend beekje, tot de èit, kwartssteen die schittert in het maanlicht en die Schotse vissers in het water leggen om zalm te lokken, en het torenvalkje dat in East-Anglia de perfecte naam windfucker draagt.

Binnenwereld

Macfarlane’s boeken over natuur en landschap zijn de laatste jaren bestsellers geweest, ook in Nederland hoewel (of juist omdat) weinig Nederlandse auteurs dit genre beoefenen. Mountains of the Mind (2003), zijn debuut, was een studie naar de soms fatale bekoring van bergen en berglandschappen. In The Wild Places (2007) verkende hij de grens tussen de bewoonde en de onbewoonde wereld; die is vaag, maar de eerste is aan de winnende hand. In The Old Ways (2012) wandelde hij door vergeten Britse landschappen van lei en kalk en zandsteen en graniet. Maar net als in die andere boeken was het ook een wandeling in zijn hoofd, langs dierbare schrijvers en hun boeken, en particuliere herinneringen.

Bij Macfarlane tasten binnen- en buitenwereld elkaar voortdurend af. In The Old Ways zette hij die verhouding al op scherp door ergens te zeggen dat ‘sommige landschappen iets over je weten’.

Landmarks lijkt een uitwerking van die, op het eerste gezicht raadselachtige, stelling. Toch is het geen vage gedachte. Wat Macfarlane op het oog heeft, letterlijk, is dat ene beeld – vossevoetjes in de sneeuw, de pirouette van een meeuw – dat als een lichtstraal in je doordringt. Dat eerst wordt gezien en zich dan in woorden zet. Een beeld waar niet veel meer over te zeggen is dan: zo is het precies. Woorden die je herkent zodra je ze ziet. Die voor jou zijn gemaakt.

Macfarlane zoekt en vindt ze ook bij een oudere generatie Britse natuurschrijvers: de Schotse bergbeklimster Nan Shepherd; wildzwemmer Roger Deakin; John Muir, de Schots-Amerikaanse natuurbeschermer; en T.H. White, een boekhouder die langzaam blind werd en een briljant boek over haviken schreef. Over de meeste van hen schreef Macfarlane eerder, maar in Landmarks zijn ze voor het eerst samen. En je ziet meteen waarom.

Het laatste hoofdstuk gaat over boomhutten, zelfgemaakte sprookjes en de woorden die kinderen ter plekke uitvinden. ‘Tussen elke twee dennen is een deur naar een nieuw leven’, schreef John Muir al. Hier is de band tussen kind en natuur nog, of weer, heel. De woordenlijst na dit hoofdstuk heeft Macfarlane blanco gelaten.