Non-mode is ook mode

Ze ziet eruit als „een beetje gekke tante”, ze is de invloedrijkste modecriticus van de wereld. Suzy Menkes (71) houdt de modewereld al 36 jaar scherp. „Het gaat om wat je schrijft, niet om wat je draagt.”

Natuurlijk, lang niet alle 71-jarigen leiden een rustig en gezapig leven, maar weinigen zullen nog zo’n overvolle werkweek hebben als Suzy Menkes, international editor van Vogue. Ze heeft een schema waar menig 25-jarige van zou schrikken.

Vorige week was ze twee dagen in Brussel en Antwerpen, waar ze twee modetentoonstellingen bezocht en het atelier van Dries Van Noten. Terug in Londen schoof ze aan bij een diner voor de nieuwe hoofdontwerper van modehuis Oscar de la Renta, interviewde ze Marques’Almeida, het ontwerpersduo dat net de modeprijs van LVMH heeft gewonnen en bezocht ze een lezing van Louis Vuitton-mannenontwerper Kim Jones. Volgende week vliegt ze naar Florence voor de mannenmodebeurs. En dit is dan nog een rustige periode.

Wie haar volgt tijdens de modeweken, weet dat het haar, in elk geval fysiek, niet altijd makkelijk afgaat. Een tijdje geleden liep ze met een stok, soms dreigt ze aan het einde van een lange dag shows even weg te dommelen. Maar stoppen met werken heeft ze nog nooit overwogen. „Ik zie mezelf niet op de golfbaan staan.”

Nu stapt ze, samen met haar assistente, kwiek het Rijksmuseum in Amsterdam binnen, waar ze over een uur New for now zal openen, een tentoonstelling met modeprenten. Ze is ruim een half uur later dan afgesproken. Ze stond er op na haar lunch met de hoofdredacteur van de Nederlandse Vogue een kort bezoek te brengen aan de Jean School in Amsterdam-West.

Het Rijksmuseum strikte Menkes toen ze een paar maanden geleden in Amsterdam was voor een interview met modeontwerper Iris van Herpen („Wat zij doet met 3D-printen is zo fantastisch.”).

Menkes is meer dan de bekendste modejournalist ter wereld. Ze is, zoals de pr-man van het Rijksmuseum met een zuchtje zegt „een ster”. Of, in hip taalgebruik: een icoon. Sinds ze vorig jaar overstapte van The New York Times naar Vogue – haar stukken worden online gepubliceerd door negentien van de 23 edities van die modetitel – is Menkes ook letterlijk een icoon: een poppetje met een kuif, één groot oog en vrolijke oorbellen siert haar visitekaartjes, haar Instagram- en Twitteraccount en wordt geplaatst bij al haar stukken.

Haar pronte, auberginekleurige kuif is voor Menkes wat de gladde bob is voor Anna Wintour, de hoofdredacteur van de Amerikaanse Vogue: een ‘signature-kapsel’ waaraan je haar al van verre herkent. Maar zo was het nooit bedoeld, aldus Menkes: ze zocht ge- woon naar een manier om haar haren uit het gezicht te houden als ze tijdens de shows op haar laptop stukken schrijft. De kuif, die na een lange dag shows nog wel eens een tikje wil inzakken, geeft haar iets van „een beetje gekke tante”, zoals Kate Moss ooit zei in The New Yorker. (Menkes antwoord: „Ik ben blij dat ik Kate's tante niet ben. Ik zou niet weten wat ik haar voor haar verjaardag moest geven.”)

Haar kledingstijl is net zo consistent. Geplisseerde, reisvriendelijke, paarse broeken en tops van Issey Miyake met knielange, kleurrijke jassen; in Amsterdam heeft ze een vijf jaar oud, groen-paars exemplaar van Dries Van Noten aan. Haar paarse Prada-tas heeft ze zelfs al tien jaar, een eeuwigheid voor een modeprofessional. „Het is vast shockerend voor Miuccia Prada om me steeds met dezelfde tas te zien, maar hij is praktisch, ik vind hem mooi, dus waarom zou ik een nieuwe kopen?” Wel een recente aankoop, en tekenend voor haar belangstelling voor alles wat nieuw is, is de Apple Watch om haar pols. „Hij vertelt me wat ik moet doen”, zegt ze. „Hij zegt: ‘Sta op en loop rond’. Dat zegt iets over de mode van nu. Een mooi en fit lichaam is tegenwoordig net zo belangrijk als wat je aanhebt.”

Eigen toon

Maar, om Menkes te citeren: het interessante aan een modejournalist is wat ze schrijft, niet wat ze draagt. De stukken van Menkes – ze schrijft er geregeld meerdere per dag – hebben een volstrekt eigen toon. Levendig, vlot en betrokken, en als het moet kritisch. Soms gebeurt dat subtiel tussen de regels door, zoals alleen Britten dat kunnen, soms is ze ronduit hard, iets waarover het Nederlandse ontwerpersduo Viktor & Rolf kan meepraten. Hun voorjaarscollectie voor 2010 werd door haar bijvoorbeeld afgedaan als „silly” en „pointless”. Illustratief voor haar macht is dat toen ze eens verklaarde dat Chaneltassen „over” waren, het huis een paginagrote advertentie plaatste in The Herald Tribune om dat tegen te spreken.

Ook in haar speech in het Rijksmuseum laat ze zich van haar kritische kant zien. De tentoonstelling met antieke prenten noemt ze „absolutely enchanting”. „Hij geeft een heel goed idee van hoe vrouwen er vroeger uit wilden zien.” Maar ze heeft wel een waarschuwing voor Rijksmuseum-directeur Wim Pijbes, die verheugd meldde dat in Parijs de tentoonstelling over Jean Paul Gaultier meer bezoekers trok dan die over Velazquez. Musea moeten terughoudend zijn met modetentoonstellingen, vindt Menkes. Omdat het voor veel musea moeilijk is om tentoonstellingen gefinancierd te krijgen, zien grote modebedrijven een kans. Ook al wordt er een curator benoemd, modetentoonstellingen die gewijd zijn aan een merk worden vaak gecontroleerd door die merken, die zo zelf bepalen hoe ze worden gezien. „Zoiets hoort niet in een museum.”

Menkes volgde een jaar een couture-opleiding in Parijs en studeerde geschiedenis in Cambridge. Ze begon haar carrière als verslaggever bij The Times, waar ze de, inmiddels overleden, vader van haar drie zoons ontmoette. Voor hem bekeerde ze zich tot het jodendom. Haar vader, een Belgische officier die in de Tweede Wereldoorlog omkwam, was overigens ook joods.

Ruim 25 jaar was ze de modecriticus van The International Herald Tribune. Toen die in 2013 opging in The New York Times, ging ze mee, al bleef ze niet lang. Voorjaar 2014 kondigde ze aan over te stappen naar Vogue.

Menkes’ bijdragen op de Vogue-sites zien er niet altijd even gelikt uit. Net als de de meeste amateurblogs zijn ze een afwisseling van groot beeld en korte blokken tekst, een format waarbij je niet altijd even lekker doorleest. Menkes: „Mensen vragen me: mist u print niet? Ik vind: woorden zijn woorden, of je ze nou leest op een scherm of vanaf papier. Het is goed om online te zijn. Je bereikt zoveel mensen.” Haar liefde voor online publiceren was zelfs de reden voor haar vertrek bij The New York Times, zegt ze. „Het was er moeilijk om online te gaan. Je stuk moest eerst door een heel proces voordat het op de site werd gepubliceerd. Waarschijnlijk was dat terecht, maar ik voelde me erdoor beperkt. Het ging me niet snel genoeg.”

36 jaar schrijft ze nu over mode. En nee, dat verveelt nog niet. „Zelfs niet als de mode niet heel opwindend is. Non-mode is ook mode, zoals nu, met de normcore, waarbij mensen zich kleden om niet te worden opgemerkt. Bovendien gaat mode niet alleen om het visuele aspect. De grote veranderingen zitten nu in het gebruik van materiaal, zoals het 3D-printen van kleding en accessoires.”

Onafhankelijk

Vogue is nooit onaardig over adverteerders, maar Menkes zegt dat ze haar manier van schrijven niet heeft aangepast. „De adverteerders staan vooral in het magazine, niet op de site. Er is nog niemand naar me toe gekomen die zegt: wat heb je nu voor vreselijks geschreven?” En ze neemt, anders dan de meeste van haar Vogue-collega’s, nog altijd geen gratis tassen en kleding aan. „Ik ben journalist.” Menkes’ Amerikaanse collega Cathy Horyn (voorheen van The New York Times, nu verbonden aan de site van New York Magazine en na Menkes de bekendste modecriticus ter wereld) meent dat Menkes’ stijl wel is veranderd. Onlangs zei ze in een interview dat Menkes in haar stukken nu te veel meegaat met de marketingpraat van de modehuizen. „Ik dacht: Suzy, waarom werk je voor hen? Je bent een criticus, probeer onafhankelijk te denken.” In het Rijksmuseum haalt Menkes haar schouders op over de kritiek. „Het interesseert me niet zoveel wat andere journalisten zeggen of doen. Wat mij interesseert, is wat er in de mode-industrie gebeurt.”