Liefde duurt het langst

Pieter Steinz heeft ALS, een zeldzame neurologische ziekte waarbij je in toenemend tempo verlamd raakt. In deze serie verbindt hij het verloop van zijn ziekte met de boeken die hij (her)leest. Vandaag: Laatste Woorden .

Illustratie Hajo
Illustratie Hajo Illustratie Hajo

Goethe vroeg om meer licht, Churchill zei dat hij alles beu was, James Joyce vroeg zich af of er iemand was die het begreep, Emily Dickinson zag dat de mist optrok en Tsjechov merkte op dat het lang geleden was dat hij champagne had gedronken. Famous last words – schrijvers en andere beroemdheden grossieren erin. Volgens de recentste biografie van Saul Bellow besteedde de Amerikaanse Nobelprijswinnaar zijn laatste ademtocht zelfs aan een bijna filosofische vraag: ‘Was I a man or a jerk?’, waarbij je ‘man’ moet lezen als ‘Mensch’ en ‘jerk’ als ‘eikel’.

Bellows levensvraag is het belangrijkste thema van de roman die ik afgelopen week herlas: Herinneringen van Hadrianus (Mémoires d’Hadrien) van Marguerite Yourcenar. Het was al de tweede keer dat ik dat deed; Yourcenars historische fictie over de tweede-eeuwse Romeinse keizer is een boek dat in iedere levensfase nieuwe vergezichten biedt. Toen ik het voor het eerst las – de vertaling heette toen nog Hadrianus’ gedenkschriften – was ik student oude geschiedenis en ging het me vooral om het beeld van de Romeinse keizertijd. Vijftien jaar later had ik meer oog voor de tragiek van de hoofdpersoon en zijn verdriet om het verlies van zijn geliefde Antinoös. En nu las ik Herinneringen van Hadrianus om de herkenning – als de afscheidsbrief van een niet eens zo oude man die weet dat zijn dagen geteld zijn.

Aan het begin van de roman, die gestileerd is als een lange brief aan Hadrianus’ adoptief-kleinzoon Marcus Aurelius, is de zestigjarige keizer dodelijk ziek. ‘Nu al’, schrijft hij, ‘lijken bepaalde stukken van mijn leven op de lege zalen van een groot paleis dat door een verarmde eigenaar gedeeltelijk is ontruimd’ (vert. Jenny Tuin). Hij kan niet meer jagen, niet meer paardrijden of hardlopen, niet meer genieten. Eenzaam en slapeloos dwalend door zijn villa, heeft hij tijd om zijn leven te beschouwen, ‘ontsteld het zo vormloos te zien’.

Laatbloeier

Hadrianus (keizer van 117-138) noemt zichzelf een laatbloeier; op zijn veertigste was hij een succesrijk legeraanvoerder maar had hij in zijn eigen ogen nog niets bereikt. Met zijn adoptie door keizer Trajanus en de troonsbestijging die daarop volgt, verandert dat. Hij ontpopt zich als een kundig bestuurder, een kosmopoliet en een kampioen van de Griekse cultuur. Hij laat zijn opvolger een stabiel wereldrijk na en zijn onderdanen een aantal grote bouwwerken: zijn mausoleum in Rome (tegenwoordig de Engelenburcht), de verdedigingsmuur in Brittannië (Hadrian’s Wall), het Pantheon in Rome en niet te vergeten zijn villa in de Tiburtijnse heuvels, waar hij monumenten liet nabouwen die hij op zijn reizen was tegengekomen.

Bij de passages over Hadrianus’ Romeinse lusthof, tegenwoordig de Villa Adriana bij Tivoli, voel ik even een steekje van heimwee. Ik ben er drie keer geweest, het is het mooiste archeologische park dat ik ken, en het doet pijn dat ik er nooit meer zal rondlopen – langs de muur van de Atheense zuilengalerij, via de vijver van de Serapistempel, naar het Watertheater; tussen de bloemen, de waterstroompjes uit de bergen en de fluitende vogels. Maar de gebeitelde zinnen van Yourcenar slepen me mee in de berustende stemming van Hadrianus, die zijn huidige lot als aftakelend vorst beklaagt, maar concludeert dat het bestaan hem veel heeft gegeven en dat hij ‘tot het eind toe naar zijn geheime lessen [zal] luisteren.’

Dat neemt niet weg dat Hadrianus nog steeds rouwt om Antinoös, de beeldschone Griekse jongeling die hem zeven jaar lang op al zijn reizen vergezelde, om onder mysterieuze omstandigheden te verdrinken in de Nijl. De keizer zou al zijn schitterende prestaties zonder aarzelen inruilen voor Antinoös’ aanwezigheid. Zijn lijfspreuk is ‘De natuur bedriegt ons, de fortuin is veranderlijk, een god kijkt vanuit de hoogte op dat alles neer’; maar uit alles wat hij schrijft, blijkt dat de liefde toch het allerbelangrijkst is. Amor vincit omnia.

Volgens Yourcenar mocht een biograaf – ook een die fictie bedreef – nooit ‘de grafiek’ van een menselijk leven uit het oog verliezen: ‘drie kronkelige lijnen die elkaar onophoudelijk naderen en weer uiteengaan: wat een mens dacht te zijn, wat hij heeft willen zijn en wat hij werkelijk was.’ Hadrianus dacht dat hij een half-mislukte keizer was; hij wilde een vredesstichter zijn en een voorvechter van de schoonheid. Wat hij was, althans in de ogen van Yourcenar, was een twijfelaar die daadkrachtig optrad en een soldaat die de liefde hoog in het vaandel had – kortom de Mensch die Saul Bellow zo graag wilde zijn.

Hoewel Hadrianus, net als Drs. P, zijn eigen grafschrift heeft geschreven – een gedichtje dat de leidraad is van de roman van Yourcenar – zijn er vanaf zijn sterfbed geen Beroemde Laatste Woorden overgeleverd. Had Antinoös nog geleefd, dan zou Hadrianus ongetwijfeld gezegd hebben ‘Ik hou van je’, want dat is waar de meeste mensen in hun laatste ogenblikken op uitkomen. I know I shall. Ik moet alleen nog een manier vinden om de boodschap over te brengen, zo zonder stem en zonder controle over mijn lippen.