Licht in een donker bos

Kunstlicht verstoort de natuur. Om dat beter te onderzoeken, branden lantaarnpalen in Nederlandse bossen.

Onderzoekslantaarnpaal in Drenthe (Hijkerveld)
Onderzoekslantaarnpaal in Drenthe (Hijkerveld) Foto’s Kamiel Spoelstra/NIOO-KNAW (boven); Rien Zilvold (onder)

‘Goedemorgen!” Het is twintig over tien, en vogelbioloog Maaike de Jong groet de vier vrijwilligers van het Vogeltrekstation die aan een bosrand op de Veluwe rond een campingtafeltje zitten. „Goedemiddag”, grapt de besnorde vogelringer Gijs van Tol. „We waren hier al vóór vijf uur.”

Het is eind mei. De zon is vanochtend opgegaan om 5.29 uur. Op dat moment gingen de vijftien lantaarnpalen hier in het Deelerwoud uit. Van Tol, De Jong en ruim honderd andere biologen – professionals en vrijwilligers – werken mee aan een groot onderzoek. Tussen 2011 en 2017 willen ze bepalen of kunstlicht invloed heeft op de natuur. Het idee was eenvoudig. Als je wilt weten of licht dierenlevens – en zelfs plantenlevens– schaadt, dan zet je op een donkere plek een lantaarnpaal neer, en houd je bij wat daar verandert.

nacht

Het is donker in het bos. De zon ging drie kwartier geleden onder, het everzwijn en haar veertien biggetjes van zojuist zullen nu wel rustig ergens liggen. Alleen de contouren van de dennen zijn nog zichtbaar. We proberen om niet op het grijze, grillig gevormde korstmos te gaan staan, want het is kwetsbaar en zeldzaam. Maar we zien het nauwelijks meer. Dan horen we een zacht gebrom. Een houtsnipmannetje vliegt laag over de bomen, en dit is zijn balts.

dag

De lantaarnpalen kwamen er, in het project Licht op Natuur. Ze staan in Drenthe, maar vooral op de Veluwe, het meest uitgestrekte bos van Nederland. In acht bosranden, allemaal zo ver mogelijk weg van bebouwing, branden ze elke nacht van zonsondergang tot zonsopgang. Steeds vijftien palen: vijf met wit licht, en evenveel met groen of rood licht. En, ter controle, vijf pseudopalen van hout. Zo’n langdurig, uitgebreid onderzoek naar het effect van kunstlicht op natuur is nog nooit ergens gedaan.

De biologen, onder leiding van het ecologisch instituut NIOO-KNAW en de Wageningen Universiteit, publiceerden hun eerste resultaten in maart in Philosophical Transactions B. Het verrassendste dat ze tot nu toe ontdekten, is dat er rond lantaarnpalen meer vogels zitten, en dat koolmezen bij de lantaarnpalen eerder begonnen met broeden (zie kader). Maar er zijn nog geen tekenen dat de Nederlandse bosnatuur permanent verandert door het licht. Het duurt jaren voor er iets verschuift, denken de biologen. Met dat argument kregen ze extra geld, zodat de palen tot eind 2017 kunnen blijven branden.

nacht

De sterrenhemel bij Radio Kootwijk is niet indrukwekkend, de stilte eigenlijk ook niet – hoor die trein – maar de aanblik wel. Twee lantaarnpalen verlichten de open plek in het bos met een helderrood schijnsel. De andere drie staan iets verderop, in de begroeiing. „De eerste keer dat het licht aan ging, heb ik de hele avond staan fotograferen”, zegt Kamiel Spoelstra, de bioloog die de studie leidt. „Er zit een kunstzinnige kant aan dit onderzoek.”

dag

Naast Maaike de Jong zit Hans de Wilde op een klapstoel. Hij is gepensioneerd tropisch botanicus, en ringt al sinds 1953 vogels. „We hadden vanochtend een kruisbek”, vat hij opgetogen de ochtend samen. „Dat was voor het eerst. Verder een jonge witte kwikstaart – die zou je hier niet verwachten. En een heel mooi mannetje gekraagde roodstaart. Maar het was wel koud.” Al die tijd steekt uit zijn gesloten linkerhand een vogelpootje. Als hij zijn hand opent, kijkt een grijs vogeltje met een zwarte kruin om zich heen. „Deze moet nog gewogen. Dit noemden wij vroeger een zwartkoptuinfluiter. Tegenwoordig zeg je zwartkop.”

De uitwerking is handwerk. Voor vogelbiologen, voor vrijwillige vogelringers, vlinderkenners en botanici. Het typische biologenveldwerk: een combinatie van specialistische kennis, handigheid en houtje-touwtje.

„Het is wel moeilijk om de locaties te bemannen”, verzucht zijn collega Van Tol, vogelringer sinds ‘ergens in de jaren zestig’. „Elke keer zo vroeg uit je bed.” In het broedseizoen zijn vogelringers hier acht keer. Ze vangen vogels in netten, wegen en meten ze, en doen een ring om hun pootje. Vogelaars komen óók kijken, op andere dagen, en beschrijven alle vogels die ze zien of horen. En op bepaalde voorjaars- en zomeravonden tellen vlindertellers nachtvlinders en motten.

Bovendien is er vierdejaars promovenda Maaike de Jong, die met haar studenten het hele voorjaar de nestkastjes bijhoudt. Ze struint over boomstammen en mospakketten naar nestkastje nummer 11. „Je hoort ze al bedelen.” Ze neemt grote stappen, de veters van haar bergschoenen zijn sleets. De kastjes hangen in het bos rond de lantaarnpalen. Er broeden koolmezen in, bonte vliegenvangers en af en toe een pimpelmees of zwarte mees.

„Hé jongens!”, groet ze de vogeltjes als ze de klep van de kast heeft geopend. „Zes jonge bonte vliegenvangers. Ze zullen een dag of tien zijn. Ze worden al een beetje bont. Je kunt het je niet voorstellen: in de herfst vliegen ze al zelf naar Afrika.” Even later heeft ze hun moeder gevangen, gemeten en gewogen. „Dertien nul gram.” Een trekvogeltje, lichter dan een brief.

nacht

Kamiel Spoelstra staat onder een den. Hij wijst een vleermuiskast aan met automatische detector, en een tegel die is ingewreven met visolie om bosmuizen te lokken – ook voor de studie. Bosmuizen mijden de plekken recht onder de lichtstraal, mat hij al. Maar dat was te verwachten. Nu wil hij weten of ze permanent wegtrekken. Stel dat hij géén langdurig effect vindt van kunstlicht, zou hij dat erg vinden? „Maakt me niks uit.” Korte pauze. „Nou ja, een beetje. Ik houd erg van het donker. Als tiener en als student liep ik nachtenlang alleen door het bos. ’s Nachts is de natuur gewoon de natuur. Licht verstoort dat enorm. Maar dat is míjn gevoel.”