Het was een krankzinnige eeuw

Ze was minnares van een trotskistenleider, vrouw van een verzetsstrijder, vriendin van een bondskanselier en nog veel meer. Dit weekend wordt ze 100. „Ik ben een absolute bofkont.”

Tekst Michel Krielaars Foto’s Robin Utrecht

Elisabeth Fisher-Spanjer. „Amsterdam is tegenwoordig een corrupte stad met al die vastgoedtypes. En Nederland is een corrupt land.”

‘Ik heb een wild leven achter de rug en ben wild gebleven. En natuurlijk heb ik verschrikkelijk veel herinneringen aan die honderd jaar, al was er de afgelopen vijfentwintig jaar ook een hoop verdriet. Maar dan denk ik, Jezus, het was zó de moeite waard. Het was toch een krankzinnige eeuw?”

Elisabeth Fisher-Spanjer (Amsterdam, 1915) zegt het, in haar kleine appartement in Amsterdam-Slotervaart, in verrukking, alsof ze nog altijd nageniet van alles wat ze heeft meegemaakt. Bijvoorbeeld als leerling van schrijver Menno ter Braak op de hbs, eind jaren twintig, of als minnares van de trotskist Henk Sneevliet, die door de Duitse bezetter zou worden gefusilleerd. Of als gevangene van de Duitsers in concentratiekamp Vught, en daarna als geliefde van een collaborerende journalist, die ze in september 1944 achterna reist naar Duitsland om er, met de Russen in aantocht, zijn kind te baren.

Als geen ander vertegenwoordigt Elisabeth Fisher de woelige en bloedige twintigste eeuw. De Russische Revolutie, de internationale socialistische beweging, het nationaal-socialisme, de Tweede Wereldoorlog met het schemergebied tussen goed en fout, en tenslotte de Koude Oorlog. Ze heeft het allemaal meegemaakt. „Ik kende God en iedereen”, zegt ze meermalen tijdens ons gesprek.

En dan is er ook nog haar woelige huwelijk, na de oorlog, met verzetsstrijder Joop Zwart, die geknakt uit concentratiekamp Sachsenhausen kwam en eerst nog even met Irene Vorrink (later minister in het kabinet-Den Uyl) was getrouwd. En vergeet niet haar hechte vriendschap met de Duitse bondskanselier Willy Brandt, die ze nog uit de linkse jeugdbeweging van de jaren dertig kende, of haar inzet voor de Alexander Herzen Stichting, een door de slavisten Jan Bezemer en Karel van het Reve opgerichte organisatie die de in de Sovjet-Unie verboden boeken van Russische dissidenten in het Westen uitgaf. „Het verstandige geluid van Bezemer, Van het Reve en Nico Scheepmaker mis ik dezer dagen”, zegt ze. „Die naïeve kinderen die het nieuws op de radio en de televisie verzorgen, beseffen niet dat Rusland een grote bedreiging voor het Westen vormt. Nee, ze vinden eerder dat we lief voor Poetin moeten zijn. Die televisie is sowieso de pest, want die doodt je kritische vermogen. Lezen moet je.”

Uitgebuite landarbeiders

Sinds haar tachtigste heeft ze een oogafwijking, waardoor ze alleen nog maar silhouetten ziet, maar verder is Elisabeth Fisher zo gezond als een jonge meid. Je zou haar geen eeuw geven. Eerder heb je de indruk met een energieke zeventiger te maken te hebben, die de hele wereld bereist. „Op mijn tachtigste heb ik mijn sportwagen verkocht, toen ik ineens de witte strepen op de weg niet meer goed kon zien. Sindsdien zijn mijn ogen snel achteruit gegaan. Nu reis ik samen met vrienden. Lastig is alleen dat die vaak een baan hebben en niet zo makkelijk weg kunnen. Ik zoek dus nog gezelschap voor Schotland en Cuba.” Ze wijst uitnodigend naar een reisgids van Cuba, die naast haar op de bank ligt.

Tijdens het gesprek veert ze voortdurend op, haalt ze thee, limonade en tenslotte champagne. Maar vooral vertelt ze, vijf uur lang, alsof ze in de bioscoop zit en naar een film over haar veelbewogen leven kijkt. „Dat mijn beide kinderen op 54-jarige leeftijd zijn overleden is zwaar, maar het is niet anders”, mijmert ze, in een schaarse uiting van verdriet.

Haar opstandige aard heeft Elisabeth van haar moeder, Elisabeth – Betsje – de Jong, een dochter van een naar Sloterdijk verhuisde Friese dagloner. In het nabije Amsterdam werd Betsje dienstmeisje bij architect H.P. Berlage. „Ze las en las, net als ik, en kwam op voor de uitgebuite landarbeiders.”

Toen Betsje in 1914, na afloop van een toespraak van de socialistische profeet Ferdinand Domela Nieuwenhuis in een anti-oorlogsdemonstratie meeliep, werd ze gearresteerd. „Dat gebeurde nadat ze eerst twee kleine kinderen had weggerukt voor de aanstormende paarden van de bereden politie”, vertelt dochter Elisabeth. „Tegen zo’n agent zei ze toen: ‘Wil jij de arbeidersklasse verraden? Vergeet niet dat je zelf een arbeider bent.’ Ze kreeg negen maanden gevangenisstraf wegens opruiing. Het was het eerste politieke proces. In de cel ging ze in hongerstaking, de eerste in de Nederlandse geschiedenis. Toen ik op de hbs zat, vertelde ze me erover en gebood ze: ‘Beppie, je zult nooit enige autoriteit geloven’.”

Tijdens die demonstratie had Betsje de timmerman Luuk Spanjer ontmoet, een al even vrijgevochten mens, van wie ze zwanger raakte. En zo werd een jaar later Elisabeth geboren.

Wijvendief

Als anarchisten waren Betsje en Luuk tegen het huwelijk. Bovendien was Luuk een rokkenjager, „een wijvendief”. In 1917 werd een tweede dochter geboren. Twee jaar later nam Luuk de benen, om zich verder weinig om zijn kroost te bekommeren en carrière te maken in de vakbeweging. „Van ons tweeën was ik het kind van de liefde, want toen mijn ouders mij verwekten hielden ze nog van elkaar. Bij mijn zuster was dat anders, die werd emotioneel ondervoed. Nederland is een koud land, waar kinderen niet lekker worden geknuffeld, waar ouders niet laten zien dat ze van elkaar houden.”

Om in het onderhoud van haar gezin te voorzien, trekt Betsje de Jong met haar twee kinderen in bij haar zuster, die in Laren met haar man een pension dreef. Elisabeth bezoekt er de Humanitaire School van de christen-anarchist Jacob van Rees. Daar belandt ze in een artistieke, mondaine, kosmopolitische wereld. „Laren was een paradijs. Er zaten alleen kunstenaars en gekken. En ’s zomers vierden tal van beroemde kunstenaars en intellectuelen er vakantie, zoals de Duitse schilder Max Liebermann. Van hen heb ik Duits geleerd.”

Echt spannend wordt haar leven als ze in 1930 door haar vader van de hbs is gehaald na een slecht rapport. Ze is dan vijftien jaar oud en gaat op kamers wonen bij de roemruchte politicus Henk Sneevliet, een voormalige communist die zich van Stalin heeft afgekeerd en nu zijn eigen trotskistische splinterpartij leidt, de Revolutionair-Socialistische Partij. Ook volgt ze een stenografiecursus bij Instituut Schoevers.

Onder de indruk van de discussies in het gezin Sneevliet, wordt Elisabeth lid van de Revolutionaire Jeugdbond. Ze gaat de straat op om te colporteren en demonstreren voor de linkse zaak. Wanneer Sneevliet haar een baantje bij zijn partij bezorgt, correspondeert ze met Trotski zelf. Ook krijgt ze een verhouding met haar meer dan dertig jaar oudere en getrouwde baas, die zijn dominante vrouw Mien meer vreesde dan de lange arm van Stalin. „Ik werd na de zelfmoord van zijn zoon Pim het vervangende kind, maar ook de vervangende liefde, het vervangende alles. Dat hebben trotskisten als Igor Cornelissen me later kwalijk genomen, want ik was aan hun idool gekomen. Het is een godswonder dat ik in die tijd geen idioot of kinky hoer ben geworden.”

De revolutie is voorbij

Om aan de beklemmende druk van haar buitenechtelijke relatie met Sneevliet te ontsnappen, gaat Elisabeth in de zomer van 1936 naar het bruisende Parijs. „Parijs was geweldig: ik ben zo’n typje dat op de tafels danst.”

Maar na een kortstondige nieuwe liefde, eindigt ze ook hier opnieuw in Sneevliets armen. Het levendige Parijs is echter ook het begin van haar ontgoocheling over wat er in de Sovjet-Unie aan de hand is. „De communist Bertus Bouwman vertelde me hoe Gorter, op de terugreis uit Moskou, in 1921 op het Ostbahnhof in Berlijn een naar Rusland reizende delegatie Nederlandse kameraden tegenkwam en tegen hen zei: ‘Ga er niet heen. Het is allemaal over. De revolutie is voorbij.’ Van zulke petite histoire houd ik, omdat het meer zegt dan de geschiedenisboeken. En ik weet dat soort dingen, als enige. Als ik het afpeiger, dan gaat al die kennis verloren.”

En dan had je nog al die andere kameraden, zoals de Duitse trotskist Rudolf Klement, die door de geheime politie van Stalin in Parijs werden vermoord. „Een week nadat ik in een Parijs restaurant met hem had gegeten en hem wat hulpgeld had gegeven, werd hij onthoofd uit de Seine gevist. En dan zeiden de communisten dat hij een verrader en een boef was. Maar kameraden die kameraden vermoorden, dat deugt gewoon niet.”

In 1938 kiest Elisabeth voor een ander leven. De linkse beweging raakt op de achtergrond, nieuwe mannen blijven komen. „Weggaan is mijn ziel. Ik wilde altijd weg.”

Ze gaat nu voor het Amsterdamse filmbedrijf Cinetone werken, waar ze de programma’s mag schrijven en in de wereld van Duits-Joodse emigranten en linkse intellectuelen terechtkomt. En dan breekt de oorlog uit. „Aanvankelijk ging het goed, ook omdat de directeur ervoor zorgde dat de Joodse medewerkers op papier werden geariseerd.”

Maar in 1941 wordt Cinetone ingelijfd bij het propaganda-apparaat van Joseph Goebbels. Elisabeth werkt ineens voor de nazi’s, die in films als Rembrandt antisemitische propaganda maken, maar ook nietszeggende droomfilms produceren. „Ik vroeg om raad aan mijn vrienden Nico Donkersloot [de letterkundige] en Lou Lichtveld [de Surinaamse schrijver Albert Helman], die in het verzet zaten. En zij zeiden dat ik het maar moest doen, als ik hen maar op de hoogte hield. Wij waren nu eenmaal geen verzetsland. We hadden misschien een paar aardige verzetslieden, maar er waren amper onderduikadressen. Ik kende iedereen die in het verzet zat, zo klein was dat wereldje.”

In haar huis in Amsterdam zitten wel Joodse onderduikers. En dankzij haar producentenwerk voor de filmindustrie reist ze door heel Duitsland, zodat ze clandestien documenten van het Amsterdamse Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam, het archief van de marxistische beweging, in veiligheid kan brengen bij kennissen in Berlijn.

In die dagen ontmoet ze ook de nazi-sympathisant Louis Thijssen, die voor de propaganda-afdeling van de Duitse bezetter werkt. Op hem raakt ze smoorverliefd. De reeds getrouwde Thijssen zal de vader van haar zoon Bas worden.

Als de SD haar in 1944 vanwege haar band met de inmiddels doodgeschoten Sneevliet arresteert, is het Thijssen die ervoor zorgt dat ze na een paar maanden wordt vrijgelaten. Ze besluit dat ze in Berlijn, het hol van de leeuw, veiliger is dan in Nederland. „Ik dacht dat Thijssen naast zijn werk voor de bezetter ook een Britse spion was, al heeft hij me dat nooit gezegd. Met hem ben ik naar Berlijn gegaan. Ook omdat ik dacht dat hij voor mijn kind en mij zou zorgen. Pas na de oorlog ontdekte ik dat hij hoofdredacteur van het nationaal-socialistische propagandablad De Gil was geweest.”

De bezetting was voor Elisabeth een schimmenrijk, zoals in de romans van W.F. Hermans, waarin goed en fout mistige begrippen zijn. „Natuurlijk waren er in Duitsland grote klootzakken, maar die had je in Nederland ook. Amsterdam is tegenwoordig een corrupte stad met al die vastgoedtypes. En Nederland is een corrupt land. Maar dan zeggen ze: we zijn zo verschrikkelijk fatsoenlijk en zaten in de oorlog allemaal in het verzet. Tegen vrienden merk ik wel eens op dat het ware Nederlandse verzet op 10 mei 1945 pas echt is losgebarsten. Ze kijken me dan vragend aan, alsof ze denken dat ik me vijf jaar vergis.”

Na de Duitse nederlaag wordt Elisabeth beschuldigd van collaboratie en wil de Politieke Opsporingsdienst haar verhoren. „Ik heb dat geweigerd, omdat ik niet over anderen wilde praten. In de oorlog had ik tenslotte in Berlijn zoveel Nederlanders zich zien vermaken, die na 1945 de Nederlandse televisie zouden opbouwen en over hun Berlijnse jaren zwegen als het graf.”

Imago van Duitsland

Ook na de oorlog laat Elisabeth zich, conform haar levensmotto, meevoeren met de wind. Aanvankelijk woont ze met Joop Zwart, die er voor de Nederlandse militaire missie en het Nederlandse Rode Kruis werkt, in Berlijn. Ze verkeert er in kringen van anticommunistische intellectuelen rond het tijdschrift Der Monat, waarin Thomas Mann, Saul Bellow, George Orwell, Hannah Arendt en Raymond Aron publiceren. Begin jaren vijftig keert ze terug naar Amsterdam, waar ze namens de Duitse overheid samen met Zwart een persbureau runt dat de nieuwsvoorziening verzorgt over het nieuwe Duitsland, om het imago van Duitsland in Nederland te verbeteren. Ook werkt ze voor Parool-oprichter Frans Goedhart. Tijdens de Hongaarse opstand is ze actief in het vluchtelingenwerk.

En dan leert ze eind jaren vijftig, ze is inmiddels gescheiden van Joop Zwart, Frank Fisher kennen, een Duits-Joodse marxistische econoom die eind jaren dertig naar de VS is geëmigreerd. Fisher zal uiteindelijk zijn gezin voor haar in de steek laten en met haar trouwen. Hij is de man die haar aankan en haar enthousiasme weet te temperen. Ze zijn samen tot zijn overlijden in 1970.

Ze werkt in dat jaar net voor de Alexander Herzen Stichting en ontmoet in Rusland menig beroemd dissident, zoals Andrej Sacharov, „de beschaving zelve en bovendien iemand die scherp kon denken”.

Sinds de val van de Muur en het verdwijnen van de communistische dictaturen, is Elisabeths wereld drastisch veranderd. „Maar het gaat me aan het hart dat de sociaal-democratie kapotgaat en niemand het door heeft”, zegt ze. „Er is hier geen intellectueel debat.”

Over de huidige wereld is ze sowieso niet erg optimistisch. „Al ben ik niet bang voor die linkmiegel van een Poetin. Een oorlog zal hij niet beginnen, want die wordt zijn ondergang. Maar vergeet niet dat in Rusland de geschiedenis zich voortdurend herhaalt.”

En de Grieken? „Ach, houd toch eens op. Die Grieken belazeren de boel waar je bijstaat. Dat hebben ze altijd al gedaan. Die premier Tsipras is gekozen op een programma dat niets met de werkelijkheid te maken heeft.”

De Griekse morele geseling van Duitsland, vindt ze dan ook bespottelijk. „Duitsland is zo’n beschaafd land, dat je er soms gewoon beroerd van wordt. Ze lopen er voor alles naar de rechter. Als mensen kritiek hebben op Duitsland en op de Duitse taal, zeg ik altijd dat we die mooie taal niet voorgoed aan Hitler hebben gegeven. Duitsland heeft de beste schrijvers. En al mijn linkse kameraden komen er vandaan. Bovendien ben ik in 1945 met mijn pasgeboren zoontje door een Duitse vrouw gered.”

Als het in de wereld uit de hand loopt, komt dat volgens haar door de radicale islam. „Over tien jaar zijn we daarmee in oorlog. En alleen Israël en China kunnen dat tegenhouden. De Israëli’s weten waar het om gaat. En Europa is bang, zoals het dat ook in de jaren dertig was.”

Maar wat er ook gebeurt, niemand neemt Elisabeth Fisher haar twintigste eeuw af: „Ik ben een absolute bofkont, als ik nadenk over wat ik in al die jaren heb gezien en uitgevreten, want ik heb ook rare dingen gedaan. Maar Jezus jongen, mijn kinderen zijn dood, mijn mannen zijn dood, en toch was het een geweldig leven.”

    • Michel Krielaars