Elk shot was verraderlijk

Amsterdam zat in de jaren tachtig vol junks. Frank en Eric overleefden de ‘heroïne-epidemie’.

De onderkant van een leeg bierblikje voldoet. Openscheuren, aansteker eronder, heroïne erop, water erbij, citroenzuur erbij en dertig seconden laten pruttelen. Coke erbij, druppeltje koud water, even roeren, sigarettenfilter erbij en dan trekken, tot de naald alles in de spuit heeft gezogen. Spuit omdraaien, lucht eruit drukken, ader zoeken en als je bloed trekt: afdrukken. Flash! Alles staat stil. Piep in de oren, glashelder zicht, de smaak van drugs op de tong. Je schiet zo het paradijs in.

Of je terugkeert is bij elk shot de vraag. Raak een slagader en je bloedt dood. Iets te veel lucht in de spuit en je adem stokt. Net iets te veel coke in de cocktail en je begint te trillen. Alsof je hart het lichaam uit knalt. Paniek maakt het alleen maar erger. Het hart stopt. Of je stikt in je eigen kots.

Elk shot is verraderlijk. Gebruik van een oude spuit vergroot de risico’s. Viezigheid, onzuiver water of botte naalden leiden tot abcessen, bloedvergiftiging. Andermans spuit vergroot de kans op aids en hepatitis C; bacteriën die zich in een vochtige omgeving razendsnel vermenigvuldigen en rustig afwachten tot ze een bloedbaan in kunnen glippen, zo door het sigarettenfiltertje heen.

‘Junks’ in de jaren tachtig namen dagelijks wel vijf tot tien van zulke shots, steeds met dezelfde risico’s. Een kwart gram per shot, 25 gulden. Het werd een ‘heroïne-epidemie’ genoemd. Op het hoogtepunt, midden jaren tachtig, waren er in Nederland zo’n 30.000 gebruikers, van wie ongeveer 8.000 in Amsterdam, met een gemiddelde leeftijd van 28 jaar. De binnenstad was vol mensen die leefden van shot naar shot, jaar in jaar uit. Hun kans op overleven was gering. Bezweken ze niet aan een overdosis of infectie, dan wel aan de messteek van een ripper of een geflipte. Op het hoogtepunt van de epidemie stierf elke drie dagen een gebruiker.

En toch zijn er verslaafden die dit leven zonder veel kleerscheuren hebben overleefd. Mannen en vrouwen die al jaren clean zijn, die soms een geregeld leven leiden, werk hebben of gepensioneerd zijn. Survivors.

Gemene Eric

16 april. De eerste lentezon breekt door. Eric, ‘Gemene Eric’ zoals hij lang geleden werd genoemd, zit op het terras van een café op de Nieuwmarkt in Amsterdam. Nike-pet op, Persol-zonnebril tussen de knoopjes van zijn overhemd. Wijzend naar de deurpost: „Hier stonden die Suri’s altijd te verkopen, ‘hosselen’ noemden ze dat. Big Sam, Waldie. Knappe jongens waren het.”

Twintig jaar lang was Eric (66) verslaafd. Heeft hij er iets aan over gehouden? „Nee hoor”, lacht hij. „Niemand die zoveel gebruikt heeft en die er nog zo goed uitziet als ik.”

Over zijn tijd als junk praat hij met pretoogjes. Het is een wonder dat hij het heeft overleefd, maar ellende? Ja, welvaartsellende. Het was de leukste periode die hij heeft gekend. Vooral de begintijd, eind jaren zestig, toen opium, donkerrode plakkies, nog keurig gevouwen in een bamipapiertje was af te halen bij de Chinese opiumkit in de Binnen Bantammerstraat. „In de begintijd waren we met honderd man. Iedereen wist het van elkaar. We gebruikten stiekem.”

Later schakelde hij over op heroïne gecombineerd met coke, ook niet verkeerd. „Bóém, je gaat twee kanten op.” Naar voren buigend: „Eerst die cokebám, en dan…”, terugtrekkend naar achteren: „….Tsjáááák. Het hele universum kwam in één klap bij elkaar. Beter dan een orgasme.”

Eric had geen moeilijke jeugd, al zei hij soms van wel, wanneer hij zich weer eens voor de rechter moest verantwoorden. Eric groeide op in een Amsterdamse volksbuurt en joeg anders dan zijn broer geen baan en pensioenplan na. Hij zocht een spannend leven. Hij hield van tekenen, speelde saxofoon, deed een grafische opleiding, belandde in de kunstenaarsscene, ging blowen en raakte aan de harddrugs. De verklaring is eenvoudig: „Het was gewoon hartstikke lekker. En ik werd er geil van, vooral als ik coke had gebruikt. Meiden bleven het hele weekend bij je hangen.”

Rondscharrelende gebruikers

Eric is een van de ex-gebruikers die onlangs reageerde op een oproep van onderzoeker Gemma Blok, docent Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Een half jaar geleden begon ze met haar onderzoek naar de explosie van het heroïnegebruik in de jaren zeventig en tachtig in de grote steden. Ze ging op zoek naar verslaafden van toen en startte een website, heroineepidemie.nl, waar ex-gebruikers zich kunnen melden. Vijftig hebben dat tot nu toe gedaan.

Als puber al raakte Blok (1970) gefascineerd door de rondscharrelende gebruikers op straat. Ze zag ze op Perron Nul in Rotterdam, de stad waar ze opgegroeid is. Nu wil ze een mondelinge geschiedenis schrijven van die tijd, met behulp van de verhalen van de overlevers. „Dat is nooit eerder op een systematische manier gedaan”, vertelt ze, „de meeste onderzoeken zijn verricht vanuit het perspectief van artsen, psychiaters en hulpverleners. Wie die mensen waren, waarom ze verslaafd raakten en hoe ze het drugsgebruik hebben beleefd – dat zijn vragen die altijd buiten beeld zijn gebleven.”

Blok vertelt dat veel ex-gebruikers graag willen vertellen. Ze willen het stereotiepe en negatieve beeld van de ‘junk’ nuanceren. „De verhalen van de politiek, verslavingszorg en media zijn altijd overheersend geweest, daar willen ze iets tegenover stellen. En de leeftijd speelt mee, ze zijn rond de zestig en dan ga je terugkijken op je leven.”

Op het terras bestelt Eric nog een cappuccino. „Vijftig procent van de scene heeft het niet gered”, zegt hij. „Mick overleed aan een overdosis, Tonnie door zelfmoord, Frans werd verscheurd door de hyena’s, dat waren wij junks toen.” En de aidsgolf, een virus waarvoor, zo ging het gerucht onder gebruikers, geen remedie was, moest toen nog komen. Eric deed voorzichtig, hij was gewend zijn spuiten na gebruik schoon te koken.

Al in de begintijd van de opium schreven kranten over drugs als ‘een doodlopende weg’. En dat was het ook. Eric zag mensen om zich heen aftakelen, elkaar bedriegen en bestelen. Het Perzisch tapijt in zijn kraakpand, vlakbij de Nieuwmarkt, moest vastgespijkerd aan de vloer, anders was het weg. Wie drugs of geld had, had vrienden. Maar die waren er hooguit voor één dag. Eric zag eens iemand die op een brancard uit het HUK werd gedragen, een beruchte gebruikersruimte in de Spuistraat. „Voordat hij de deur uit was, viste een van zijn vrienden nog even wat geld uit zijn zak.”

Op straat hielp zijn lengte mee, 1.88 meter. Dat gaf uitstraling, zodat je niet meteen geript werd door de Suri’s. Zijn bijnaam, ‘Gemene Eric’, verschafte veiligheid. Hij heette zo vanwege zijn vuile trucjes. Pakte Eric een grammetje van een dealer, zei hij ‘ik wil het toch niet’, verwisselde het stiekem met een pakje troep en gaf het weer terug. Of hij kopieerde wat honderdjes en stopte het in een stapel briefgeld.

De scene werd snel groter en hiërarchischer. Kocht je eerst gewoon een pakje, later werd dezelfde hoeveelheid versneden tot twee pakjes, drie pakjes, vier pakjes, en iedereen wilde eraan verdienen. De prijs voor een pakje bleef hetzelfde. Eric zat hoog in de pikorde, met dank aan zijn grafische opleiding. Hij was handig in het vervalsen van eurocheques en rijbewijzen, door andere junks aangeleverd uit gestolen portemonnees. Met de cheques toerde hij langs vele postkantoren om de buit te innen, soms duizenden euro’s per dag. Daarom hoefde hij nooit op straat te slapen, hij kon zich altijd een huis veroorloven. Soms verbleef hij in de cel.

In 1983 wist Eric uiteindelijk te stoppen met drugs. „Ik moest wel afkicken, de rechter gaf me de keuze: de kliniek in of anderhalf jaar gevangenis. Het was een makkelijke keuze, ik stond op een splitsing in mijn leven. In die tijd kreeg ik ook het aanbod om in een drukkerij te komen werken.”

Waarom heeft hij het wel overleefd en veel van zijn medegebruikers niet? „Ik lette wel goed op, maar ik heb ook geluk gehad”, zegt Eric. „Ik heb op het juiste moment mijn hoofd teruggetrokken, terwijl de jongens naast me in de loopgraven zijn omgekomen.”

Dagelijkse survival

Oorlogsmetaforen hoort onderzoeker Gemma Blok vaker in gesprekken met ex-verslaafden. Ze kijken erop terug alsof ze een oorlog hebben overleefd. Ook wordt er vaak in termen van overleven gesproken. „Heroïne werd in de jaren zeventig steeds duurder en omdat methadon aanvankelijk moeilijk te krijgen was, verloederde je en werd je leven een dagelijkse survival. Zoals de jager-verzamelaars uit de oertijd moest je dagelijks op jacht naar dope. Je wordt ziek wakker en dan moet je eerst op jacht naar je volgende shot.”

Volgens Blok heeft elke verslavingsgolf een maatschappelijke voedingsbodem. Een epidemie ontstaat vaak in een tijd van sociale onrust. Migratie en verstedelijking zijn belangrijke aspecten. Dat roept veel spanningen op, mensen raken ontworteld.

Zo voelden ook in de jaren 70 veel jongeren zich niet thuis in de maatschappij waarin ze opgroeiden. Tegelijkertijd gingen meer mensen dan ooit studeren en op kamers wonen, een nieuw fenomeen voor Nederland. „Veel mensen die ik heb gesproken zijn ook op jonge leeftijd van huis weggelopen. En er waren de ontwortelde migranten uit de voormalige kolonie Suriname die hierheen kwamen en een cultuurshock beleefden, teleurgesteld over hun perspectieven.”

Tegelijk ziet Blok dat het beeld van de drugsverslaafde genuanceerder is. In Milaan, waar de heroïne-epidemie in de jaren tachtig ook speelde, hadden verslaafden vaker nog banen en goed familiecontact. En in Nederland was drugsgebruik óók verbonden met positieve ambities. „Een gebruiker werd ook gezien als een individu dat zijn eigen weg zoekt in het leven. We moeten niet vergeten dat ze bezig waren met dezelfde dingen als andere mensen destijds: je onderscheiden, jezelf ontplooien. En daar hoorden drugs bij, voor de hele jeugdcultuur van die tijd.”

Leeft-ie nog?

27 mei. Midden op de drukke Prins Hendrikkade legt Frank (55) zijn jas neer op de grond. Hij gaat op zijn hoofd staan tegen een lantaarnpaal. Voorbijgangers doen alsof ze niets zien.

Frank is mager. Op zijn getatoeëerde armen zitten littekens van het spuiten, zijn rug is kapot door het jarenlange slapen op de grond. Maar hij is sterk en dat wil hij graag tonen. Hij heeft een felle blik en nadat hij zijn verslaving achter zich liet, zo’n vijftien jaar geleden, is hij fanatiek gaan sporten. Hij doet aan Calisthenics, een soort turnen zonder toestellen.

Frank ziet een donkere man met een petje op voorbijfietsen. „Die ken ik”, zegt hij, „die behoort tot de laatsten van een generatie. Ouder dan zestig worden de meesten niet. Er zijn er nog maar heel weinig over van de gebruikers die ik toen kende. Als ik iemand tegenkom hoor ik altijd: die is dood en die is dood.” Kent hij Gemene Eric? „Natuurlijk ken ik die. Dat was de rosser van het HUK. Als-ie ziek was, gaf hij je een paar klappen en pakte je dope af. Leeft-ie nog? Ik ben altijd wel goed met ’m geweest. Ik heb in 1983 met Eric in een kliniek van de Jellinek gezeten. Dan kreeg je eten en drinken en was er weinig verleiding om te gebruiken. Een soort vakantie van het junkiebestaan. En als je opgeknapt was, kon je weer verder.”

Frank geeft af en toe rondleidingen voor Amsterdam Underground, een project van de Regenboog Groep. Dan laat hij aan een groepje de buurt zien waar hij tientallen jaren heeft rondgelopen: de Zeedijk, de Wallen, de Nieuwmarkt. Daar heeft hij gedeald, gebruikt, en geslapen. Want terwijl Eric wat hoger in de pikorde zat, sliep Frank soms bijna letterlijk in de goot.

Eind jaren zeventig begon Frank met coke gebruiken en dealen. Het leven ging in een roes voorbij. Af en toe gebruikte hij heroïne, om te kunnen slapen als hij strak stond van de coke. „De eerste jaren was ik nog niet echt verslaafd. Pas toen ik afgleed, toen ik in de gevangenis was geweest en mijn neus stuk was van het snuiven, ben ik meer heroïne gaan nemen.” Halverwege jaren tachtig, toen hij met een vrouw leefde die gebruikte, raakte hij pas echt „hooked”. Hij verloor zijn huis en ging op straat slapen, onder de brug, in bootjes, in portieken, in het park. „Ik heb tien jaar zonder uitkering, werk, verzekering of legitimatie op straat geleefd. Dat was in de Zeedijk-tijd, toen het er hier nog hard aan toeging.”

Frank neemt ons mee naar een brug vlakbij de IJ-tunnel. De onderdoorgang is nu afgesloten met een massief ijzeren hek. „Hier had je een gebruikersplek, die lag ’s nachts vol met junkies. Het was echt de bodem van de put, daar maakte ik mee hoe alles kan ontaarden. Dan zaten er zeven mensen te shotten. En als er dan iemand een overdosis nam stond iedereen op en liep weg. Ze lieten je gewoon doodgaan. Soms ging er nog eentje door de zakken om te zien of je nog wat had. Dat soort gedoe, daar schrok ik van. Ook op huisadressen waar gebruikt werd. Toen ik daar een paar dagen later weer kwam, dacht ik: wat stinkt het hier. Toen lag er al drie dagen iemand dood achter de bank en iedereen ging gewoon door.” Wat hij daar toen bij voelde? „Op dat moment denk je nergens over na.”

De wattenman

Het was overleven, zegt Frank. Oerinstinct. Op straat ben je altijd alleen, het is de belangrijkste les die hij heeft geleerd. „In het begin nam ik weleens iemand mee naar een goede slaapplek, met z’n tweeën is het veiliger, dacht ik. Maar als ik wakker werd dan was die ander weg en dan waren m’n schoenen als ik pech had ook weg en m’n zakken leeg.”

We lopen naar de Oosterdokskade, gaan een trap af en staan op een verscholen kade aan het water, waar boten liggen. Hier vlakbij stopte de methadonbus vroeger, vertelt Frank. „’s Nachts liepen er heroïnehoertjes te tippelen, dat trok weer dealers aan. Hier beneden heb ik vroeger veel gebruikt. Dit was een van de slechtste plekken van de stad, het lag hier bezaaid met spuiters. Nu komen er geen gebruikers meer, er ligt niks meer. Hoewel…” Hij pakt een plastic buisje op. „Kijk, een watertje, steriel water om een shot mee te maken.” Hij vertelt over een gebruiker die hij hier leerde kennen, bijnaam ‘de wattenman’. „Als je een shot aan het maken was, had je een watje nodig als filter om erdoorheen de dope in de spuit te trekken. Zijn hossel was iedereen een watje vragen, dan deed hij al die vieze watjes bij elkaar en daar maakte hij een shot van. Een soort hepatitus-c en hiv-cocktail, nog gevaarlijker dan van het dak springen. Hij zal niet oud geworden zijn, denk ik.”

Vlakbij is een parkeerterrein, de junks braken daar vaak in auto’s in. „Op een gegeven moment was er hier zoveel overlast, de buurtbewoners hadden er genoeg van, die hebben de junks met honkbalknuppels weggejaagd.” En wat deed hij om aan geld te komen? „Ik heb auto’s gepikt. Auto’s openbreken om alleen de radio eruit te halen, dat vind ik achterlijk.”

Hoe Frank zich in zo’n wereld heeft kunnen handhaven? „Als je niet groot en sterk bent, dan moet je gek zijn. Dan moet je ook knokken als je niet kan winnen. Als je niet gek bent, dan pakken ze je geld en je drugs af. De eerste keer dat ik hier ruzie kreeg en ging vechten, vocht ik als in de boksschool. Toen ben ik door acht man de touwtering getrapt. Toen leerde ik dat op straat andere regels en normen gelden. Op straat is er geen fatsoen. Als je wint heb je gelijk. Hoe je wint interesseert niemand wat.”

Lege handen

De meeste mensen die onderzoeker Gemma Blok spreekt zijn helemaal gestopt met gebruiken. Enkelen zitten nog steeds aan de methadon. „Om de drugs achter je te laten en je leven een nieuwe richting te geven, daar moet je een geestelijk stabiel persoon voor zijn”, zegt ze. „Dat lukt ze lang niet allemaal. Sommigen krijgen problemen door het leven dat ze geleid hebben of omdat ze er aanleg voor hebben: depressies, angststoornissen, psychoses.”

Zijn de mensen die helemaal gestopt zijn nu gelukkiger? „Ik denk dat ze daar ambivalente gevoelens over hebben. Ze kunnen nu weer een rustig, normaal leven leiden, maar er zijn ook aspecten aan hun tijd als gebruiker die ze missen. De high van de drugs, de vriendschappen, het gevoel ergens bij te horen.”

Frank kwam er eenmaal clean achter dat hij na dertig jaar gebruik „met lege handen stond”. Zijn emotionele ontwikkeling was na al die jaren van roes „nul” en sociale contacten opdoen buiten de drugsscene bleek haast onmogelijk. „Het leven met drugs had voor het moment wel enige charme. Je hebt geen verantwoordelijkheid te dragen en op een gegeven moment ga je je wentelen in het straatgebeuren. Je hebt van niemand iets te verwachten, dus valt het ook nooit tegen. Nee, het leven zonder drugs is helemaal niet zo leuk.” Vorig jaar constateerde de dokter blaaskanker bij Frank, hij is nog aan het herstellen van de behandeling. „Daar heb ik een flinke klap van gehad, ook mentaal.”

En Eric? Die weet wel waar hij spijt van heeft. Hij grijnst. „Ik had veel beter op m’n saxofoon kunnen spelen als ik niet had gebruikt.”