D’r zat vijf jaar de mot in, maar nu zit er schot in

Televisie kreeg in Nederland maar moeilijk voet aan de grond. Radio, opnieuw in de vooroorlogse verzuiling, bleef lang de grootste bron van amusement.

Conferencier Alex de Haas, bij de Bonte-Dinsdagavondtrein, ca. 1946.
Conferencier Alex de Haas, bij de Bonte-Dinsdagavondtrein, ca. 1946. Foto Koos Raucamp / ANP

Niemand wilde televisie, rond 1950. Niemand, behalve Philips. De gloeilampenfabriek in het zuiden des lands wilde tv-toestellen maken voor de export. Maar de buitenlandse verkoop werd gehinderd door het feit dat Philips’ eigen thuismarkt – Nederland – blijkbaar geen behoefte aan het nieuwe medium had. Terwijl er in een voortrekkersland als Amerika al televisie bestond sinds 1946.

In Nederland leek de tegenstand echter onverzettelijk. Veel te duur, vonden de politiek, de omroepen en de meeste media. „Ze zeggen dat we over twee jaar allemaal een televisietoestel hebben”, schreef Annie M.G. Schmidt destijds in Het Parool. „Ik moet het eerst nog zien, want zoals we hier allemaal zitten, hebben we nauwelijks geld voor een eenvoudige muizenval.”

Philips bracht evenwel een grootscheepse lobby op gang, die al snel slaagde – al was het maar omdat het bedrijf beloofde zo ongeveer alles te betalen wat de start van een nationaal televisiekanaal mogelijk zou maken, inclusief studio’s en regisseurssalarissen. Tegen zo veel druk kon het kabinet-Drees niet op. Zodat de televisie toch op 2 oktober 1951 begon, in zwart-wit, twee avonden in de week en nadrukkelijk door de regering bedoeld als experiment.

Na het eerste seizoen gingen de schermen zelfs nog twee maanden op zwart, omdat nog niet was besloten of er een vervolg zou komen. Volgens een NIPO-enquete was 32 procent van de bevolking vóór, 28 procent tegen en 40 procent zonder mening. Geen wonder dat de onverschilligen zo talrijk waren: een jaar na de start waren er nog maar 10.000 toestellen verkocht.

Nederland vond zijn amusement in de jaren vijftig nog vooral bij de radio en bij de vele feestavonden die – als uitvloeisel van de bevrijdingsfeesten uit 1945 – overal in het land werden gehouden. Elke sport-, personeels- en winkeliersvereniging organiseerde minstens één keer per jaar zo'n feestavond met een conferencier die alle artiesten aankondigde en moppen vertelde, een zanger en/of zangeres, een pianist of zelfs een heel orkestje en variétéfiguren zoals een goochelaar, een sneldichter, een acrobatennummer of een accordeonduo. Hoe meer, hoe liever.

En het publiek stroomde graag toe. Dit was immers de enige manier om sterren als Eddy Christiani, Max van Praag, Annie de Reuver, Cees de Lange, Willy Alberti en vele anderen in levenden lijve te zien. De bekendsten onder hen lieten zich graag „radio-artiest” noemen, want dat gaf meer glans. Wie regelmatig voor de radio optrad, trok extra de aandacht.

De radio was het medium dat de sterren maakte. Een komiek die in 1948 één keer optrad in De Bonte Dinsdagavondtrein, de wekelijkse amusementsshow van de AVRO-radio, schreef in een bedankbriefje aan de omroep dat dit hem 22 boekingen voor feestavonden had opgeleverd: „De telefoon heeft vandaag niet stilgestaan...” Iedereen wilde hem nu niet alleen horen, maar ook zien.

De Bonte Dinsdagavondtrein was het populairste radioprogramma in die dagen. Maar ook de drie andere grote omroepen van die tijd hadden zo’n wekelijkse show: De Showboat (VARA) en Negen heit de klok (KRO) op de zaterdagavond en de De Steravond (NCRV) op donderdag.

Zo was de vooroorlogse omroepverzuiling eind jaren veertig weer volop terug. De eerste jaren werd in Den Haag nog geaarzeld over een nationale omroep naar het lichtende voorbeeld van de BBC. Maar tenslotte konden de meeste politieke partijen de druk van de oude omroepbestuurders, die hun geestverwanten waren, niet langer weerstaan.

De opzet van de grote radioshows leek sterk op die van de feestavonden: een conferencier, een of twee vocalisten, een groot orkest en sketches. Ook werd er vaak een kwisje gespeeld. Bij de kwis in De Steravond hingen de prijzen in een mast die op het podium in de studio was neergezet. De hoofdprijs was een gerookte ham, die dan ook bovenin hing. Om die te winnen, moest een moeilijke vraag worden beantwoord – de zogenaamde hamvraag. Daar komt het woord vandaan.

Dit waren bovendien de uitzendingen waarin de nieuwste liedjes werden gelanceerd. Eerst de nummers die uiting gaven aan het naoorlogse optimisme. „D’r zat vijf jaar de mot in, maar nu zit er schot in”, zong de humorist Willy Vervoort in zijn succeslied Cheerio. En allengs ook de liedjes die erop duidden dat alles weer net zo gereglementeerd was als vóór de oorlog, inclusief de werkweek van de man des huizes, die op zaterdag rond het middaguur werd afgesloten met de uitbetaling van zijn weeksalaris. „Op zaterdagmiddag is alles voorbij/ dan zijn er weer centjes, dus moeder lacht blij”, zong Eddy Christiani.

De strakke swing, die door de geallieerden was meegenomen, was slechts korte tijd toonaangevend. Al snel werd die hippe dansmuziek door de Nederlandse amusementsindustrie tot kalmeren gebracht – om plaats te maken voor de gezellige liedjes van eigen bodem. „Braaf en burgerlijk”, zegt Maarten Eilander, voorzitter van de platenverzamelaarsvereniging De Weergever. „Pas vanaf de tweede helft van de jaren vijftig zag je allerlei ontwikkelingen beginnen die groot werden in de jaren zestig: rock & roll, folk, cabaret en anti-bombewegingen.”

Tegen die tijd stond ook de zo aarzelend begonnen televisie definitief op doorbreken. En nadat in 1959 de halfmiljoenste kijker (de familie Ooms in Vught) werd verwelkomd met een speciaal tv-programma, was er geen houden meer aan. Twee jaar later werd de miljoenste al ingehaald.