De Roemeense truckersroute

Vrachtvervoer

Nederlandse transporteurs buiten Oost-Europese chauffeurs uit, zegt de FNV. Op jacht naar spookbedrijven in Hongarije, Slowakije en Roemenië.

Illustratie Roland Blokhuizen

Als Janos er is en open doet, dan wordt het matten. „Ik waarschuw maar even”, zegt Edwin Atema van vakbond FNV van achter het stuur. We rijden in de hitte van het Hongaarse gehucht Györszemere. We zoeken het bedrijf van ‘Janos’, een transportbaas uit Goeree-Overflakkee. Hij wordt in Nederland verdacht van ernstige uitbuiting en bedreiging van Hongaars-Servische truckers. Juridisch is het mensenhandel.

Het is een spookbedrijf. Op het adres staat een woonhuis met plastic meubilair en een zware motor in de tuin. We bonzen op de voordeur, roepen en wachten op het gras. Niets. Ineens komt een spichtige blonde vrouw uit de achterdeur. Ze geeft een klamme hand, haalt haar schouders op en begint druk in het Hongaars te bellen. We moeten wachten, gebaart ze. Op Janos – en zijn vrienden?

Op de spiegelende weg komt eerst een BMW aangereden. Een jongen met kettinkje opent het raam en vraagt wat we moeten. Hij belt en vertrekt. Na een paar minuten komt weer een auto. Geen Janos, geen knokploegje, maar een zestiger met blauwe ogen. Ja, hij woont hier. Janos is een oude zakenpartner. En ja, hij heeft zijn adres aan Janos geleend. Maar het bedrijf is hier niet meer geregistreerd, zegt hij. Gesloten. Janos betaalde geen sociale premies. „Janos is in Nederland. Hij is goede man.”

„Ja, maar hij heeft wel vastgezeten”, zegt Atema en vouwt zijn hand tot een pistool. „Janos zegt ‘poef-poef’ tegen chauffeurs.”

Venlo-Boekarest

We zijn op jacht naar brievenbusfirma’s van transportbedrijven. We rijden van Venlo naar Boekarest en weer terug in de nieuwe Seat van Atema, samen met een gepensioneerde chauffeur en een Belgische documentairemaker. In zes dagen tijd vreten we 5.400 kilometer: de afstand die Roemeense chauffeurs in minibusjes afleggen om van en naar Nederlandse transportbedrijven te reizen.

De weg voert langs Roma-paleizen met glinsterende daken en ooievaarsnesten op elektriciteitspalen. De snelheidspreventie bestaat uit een foto van een Roemeense politiewagen, schaal 1 op 1. We rijden bijna een boer aan die een de zwerfhond aan één poot van de weg tilt. Een vrachtwagen krijgt op een slingerweg voor ons een klapband.

Hier, in de achtertuin van Europa, hebben Nederlandse transporteurs nevenvestigingen. Op papier dan. Langs de hele route passeren we niet één truck van een Nederlands bedrijf met een Roemeens, Hongaars of Slowaaks kenteken. „Die vrachtwagens staan gewoon in Nederland en rijden rond in West-Europa”, zegt Atema. „Ze komen eens per jaar terug voor de technische keuring.”

De chauffeurs zijn wel in dienst van de satellietbedrijven. Ze hebben Oost-Europese lonen, terwijl ze eigenlijk recht hebben op Nederlandse cao-lonen, stelt de FNV. „We verplaatsen arbeid naar lage lonenlanden”, zegt Atema. „Maar omdat je wegtransport niet kunt verhuizen, halen ze de lage lonen naar hier.”

Aan de nieuwe Wet aanpak schijnconstructies met ‘ketenaansprakelijkheid’ hebben veel chauffeurs niets. Vanaf 1 juli kunnen onderbetaalde arbeidskrachten in Nederland ook de hoogste opdrachtgevers in de keten aansprakelijk stellen. Maar het wegtransport valt – vooralsnog – grotendeels buiten deze wet. Juridisch zou het te ingewikkeld zijn met alle trucks die onderweg van lading wisselen.

Controle is er nauwelijks, volgens de FNV. Het aantal inspecteurs en agenten dat in de EU controleert is tijdens de crisis met 75 procent ingekrompen tot 97.000, staat in een rapport van de Europese Commissie van eind vorig jaar. Nederland is een van de landen waar de minste controles bij transportbedrijven worden uitgevoerd. Een reden is dat de Inspectie Leefomgeving en Transport zich vooral richt op ‘risicobedrijven’, zegt een woordvoerder.

„Controle is helemaal niet zo moeilijk”, zegt Atema. „Je moet alleen een eindje rijden. En dan gewoon aanbellen.”

Bratislava

Een half woordje Pools en het hek van ECS European Containers in Venlo gaat open. Op het terrein van het Belgische transportbedrijf staan zo’n dertig rode trucks opgelijnd. Aan de ene kant staan de Poolse nummerborden, aan de andere kant de Slowaakse.

Chauffeurs scharrelen rond tussen jerrycans, kookstelletjes en geruite bagagetassen. Ze maken zich op voor het cabineleven. Onderweg bivakkeren ze op gratis parkeerterreinen voor trucks, zoals aan de James Cookweg in Venlo. Zonder geld om warm eten te halen, vaak ook zonder douche of wc. „Bij de grens parkeer je wel bewaakt voor 15 euro”, zegt Atema. „Daar staan vooral de jongens met zeilen opleggers. Die kun je zo opensnijden.”

Een trucker met een handdoek om komt uit een oud kantoortje en groet vriendelijk. Een ander wil niet gefilmd worden en zegt boos dat we hier zijn om hen weg te jagen.

De vestiging van ECS in Slowakije, Bratislava Trucking, zit ruim duizend kilometer verderop. Het is een keurig kantoor op een keurig bedrijventerrein, naast een drukke weg met klaprozen en heroïnehoeren. Er is geen rode vrachtwagen te bekennen.

Met zijn vaste breekijzer-aanpak loopt Atema langs de receptie naar boven het kantoor binnen. Hij steekt zijn hand uit naar een medewerker, die bevestigt dat alle trucks rijden in landen als het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, België en Nederland. De manager in korte broek wordt erbij gehaald en wijst ons direct de deur. „Stuur maar een e-mail”, zegt hij.

Atema: „Dit bedrijf heeft nog een echt kantoor hier. Maar dat is voor ons een kwestie van meer of minder malafide.”

Pieter Balcaen, bestuursvoorzitter van ECS, wil aan de telefoon niet zeggen hoeveel zijn chauffeurs verdienen. „ECS voldoet alle wettelijke vereisten”, zegt hij. „Europese coördinatie en een Europees minimumloon zouden zeer welkom zijn om sociale gelijkheid en eerlijke concurrentie te creëren.”

Cluj, Apahida

Veel Oost-Europese truckers zijn bang om over hun baas te praten, maar Chidean Tiberiu-Claudiu (33) niet. Hij was street dancer voordat hij vader en chauffeur werd. Twee jaar heeft hij gereden voor transportbedrijf Vos uit Deventer, vertelt hij. Een groot bedrijf met 250 trucks, 300 opleggers en vier vestigingen in Nederland, drie in Litouwen en één in Roemenië. „Ik hield van Vos. Tot ik ontdekte dat ik genaaid werd, terwijl mijn baas in een Porsche rijdt.”

Chidean – zonnebril, tatoeages, veel sigaretten – heeft via Facebook contact gelegd met Atema. We ontmoeten hem in een koel winkelcentrum met een C&A in het Roemeense Cluj. Atema hoopt info te krijgen voor het kort geding dat de FNV tegen Vos heeft aangespannen. De vakbond stelt dat Vos zich schuldig maakt aan onderbetaling en concurrentievervalsing. De FNV zegt dat de Roemeense tak Vosescu vanuit Nederland wordt gerund en eist een nabetaling voor alle chauffeurs.

Chidean bevestigt wat we horen van meer truckers. Hun bruto maandsalaris schommelt rond de 200 euro, een vijfde tot een tiende van een Nederlands truckerssalaris. Het grootste deel van hun inkomen bestaat uit onkostenvergoedingen, waardoor ze netto op 1.500 à 1.700 euro uitkomen. De werkgevers betalen op die manier weinig sociale premies en de chauffeurs bouwen nauwelijks pensioen op.

„Het verdient beter dan in Roemenië, want hier is geen werk”, zegt Chidean. „Maar het is ook niet genoeg om een normaal bestaan van op te kunnen bouwen.”

Zijn eerste contract bij Vos tekende Chidean op het dak van een auto bij een pompstation, vertelt hij. Vosescu heeft sinds kort wel een kantoor in Cluj voor de ongeveer 75 chauffeurs, zegt hij. Hij neemt ons mee naar het adres in het centrum. Het is een nieuwbouwhuis zonder naambordje bij een begraafplaats op een enorme heuvel. Er doet niemand open. De buurvouw is in de tuin vlierbloesem aan het drogen om limonade van te maken. Ze ziet hier wel eens een man en een vrouw, maar ze weet niet wat voor bedrijf er zit. Ze klaagt vooral over de schutting – op háár grond, zegt ze.

Officieel is Vosescu dertig kilometer verderop gevestigd in Apahida, op hetzelfde adres als Riwo Transport uit Waalwijk. Het is een vervallen terrein, waar één oplegger van Riwo staat. Een Roma-familie die in een hut op de hoek woont laat hun witte paard voor de poort grazen. Midden in dit niemandsland staat een reclamebord: primablokhutten.nl.

Telefonisch bevestigt een dame van Riwo in Roemenië dat Vos hier een postadres heeft. De directeur van Vos, Jules Menheere, vindt het niet „professioneel” om te reageren nu de FNV een kort geding heeft aangespannen, mailt hij. Zijn bedrijf houdt zich aan de Europese wet- en regelgeving, aldus Menheere.

Târgu-Mures

De enige chauffeursvakbond in Roemenië wordt geleid door een gescheiden moeder: Nina Frandes Elena. Ze doet haar verhaal op de plek waar ze een paar jaar geleden is mishandeld, voor het kantoor van de voormalige Oostenrijkse firma Stadtler in Târgu-Mures.

Nina werkte er als personeelsmedewerker en begon chauffeurs te helpen bij arbeidsconflicten. Op een dag verzamelden zich tientallen truckers onder de balustrade die Nina opriepen een vakbond op te richten. Stadtler stuurde een Oostenrijker die haar een harde klap tegen haar oor gaf. Nina moest het ziekenhuis in, hij werd bij verstek veroordeeld tot een boete van 300 euro. „Ik heb af en toe nog last van duizeligheid”, zegt ze met een traan.

Nu telt haar vakbond SLT ongeveer 1.300 leden, van wie er 300 betalend lid zijn (2 euro contributie per maand). Een fractie van de naar schatting 200.000 Roemeense chauffeurs die buiten de landsgrenzen werken. Roemenen hebben er een grap over: de laatste die het land verlaat het licht moet uitdoen.

De chauffeurs zijn lastig te organiseren, vertelt Nina. Wie staakt wordt ontslagen en wie klaagt ook. Een deel van de chauffeurs wil best iets meer verdienen, maar niet meer dan Polen en Slowaken – laat staan Nederlanders. Als ze ooit echt een Nederlands cao-loon krijgen, kunnen ze niet meer concurreren.

Middenin Transsylvanië stelt Atema zichzelf de vraag: „Zijn we hier in Roemenië om Roemenen te helpen of Nederlanders? Ja, als vakbond moeten we sociale dumping voorkomen, ook als geen enkele Nederlandse chauffeur werkloos thuis zou zitten. Tegelijkertijd willen we verdringing op de arbeidsmarkt door goedkope Oost-Europeanen tegengaan.”

Vatra Dornei

Lucian Mititetelu (35) wil wel een Nederlands loon verdienen. Zijn geduld is op. Hij studeerde ooit economie, leefde in Rome als bouwvakker in de bosjes en werkt nu als chauffeur van Bring, onderdeel van Norway Post. Hij rijdt de FNV achterna, samen met zijn verloofde Kristina. Ze gaan over een paar dagen trouwen. „Ik kan haar geen toekomst bieden”, zegt Lucian. „Ik ben een slaaf met een contract.”

Lucian is slim en strijdlustig. Hij zou een mooie aanwinst voor de vakbond kunnen zijn. Maar Lucian wil de wereld morgen al veranderen en zo snel gaat dat niet in Roemenië. Nina’s vakbond voerde vroeger rechtszaken tegen de Roemeense tak van het Belgische Jost. In vier jaar tijd is nu een broze dialoog opgebouwd en komen er toezeggingen. Nog geen extra vakantiedagen of loonsverhogingen, eerder wasmachines bij een parkeerterrein.

Er komt bijna ruzie van als Nina ons voorstelt aan de baas van Jost in Vatra Dornei. Vroeger reed hij zelf een vrachtwagen, nu een nieuwe Landrover. De baas vertelt ons trots dat zijn chauffeurs 1.700 euro bruto per maand krijgen. „Niet als loon, vooral als onkosten”, begint Lucian een tirade over het arbeidsrecht. De baas van Jost verliest zijn geduld. „Na de Tweede Wereldoorlog is Europa gesplitst in Oost en West”, zegt hij. „Als je een Nederlands salaris wilt, moet je dáár maar gaan wonen.” Nina en de andere vakbondsleden zien een diplomatieke band in vijf minuten verkruimelen.

De sleutel ligt bij de opdrachtgevers in het transport, de verladers. „Zij hebben heel veel macht”, zegt Filip De Clercq in Bratislava. Hij is manager van het Slowaakse bedrijf van het Belgische Gilbert De Clercq, transporteur voor grote bedrijven als Ikea en Unilever. De concurrentie in het wegvervoer is moordend, zegt hij. „De lagere sociale lasten op het loon hier maken het noodzakelijk om zo te werken. Zo kunnen we de diensten die we vroeger leverden nog steeds aanbieden. Anders zeggen onze opdrachtgevers: daar is de deur, meneer. Gaat u maar snel en anders zullen we u even helpen.”