Als je arm bent grijp je alle kansen

Schrijfster Mira Feticu (41) schreef een roman over de schilderijenroof uit de Rotterdamse Kunsthal in 2012. „Iedereen was alleen maar bezig met die schilderijen, niemand zag dat er ook een jong meisje tot prostitutie werd gedwongen.”

Tekst Renate van der Zee Foto Andreas Terlaak

Vers bloed

„Ik ben opgegroeid in een klein Roemeens dorp. We waren arm. Als kind was ik hele dagen alleen thuis omdat mijn ouders moesten werken. Ik deed dan het huishouden en gaf het varken en de kippen eten. Ook moest ik in de rij staan om brood te kopen op de bon. Ik was altijd bang om alleen naar buiten te gaan. Ik was bang dat de handlangers van [dictator] Ceausescu mij zouden ontvoeren omdat hij vers bloed nodig had. Alle kinderen uit het dorp waren daar bang voor: in onze fantasie was hij een soort Dracula. Vervuld van die angst stond ik dan in de rij. En het merkwaardige is dat die angst blijft. Ik ben nog steeds constant op mijn hoede. Als je onder een dictatuur hebt geleefd, blijf je gevoelig voor onderdrukking en hiërarchie. Ik kijk om me heen en ontwaar overal kleine dictatuurtjes. Ik zie meteen waar de wonden zijn. Die wil ik helen door erover te schrijven.”

Ibsen

„Mijn vader had een obsessie met studeren. Ik moest leren, leren, leren. Op mijn dertiende moest ik naar een meisjesinternaat waar ik werd opgeleid tot lerares. Daar stond ik bekend als het meisje dat drie maanden huilde. Want ik mocht tussentijds niet naar huis komen. Dan stuurde hij mij op staande voet terug. Hij was echt geobsedeerd. Niemand wilde bijvoorbeeld naar mijn verjaardagsfeest komen omdat ze wisten dat mijn vader ons dan wiskundeopgaven zou geven. Als er jongens op bezoek kwamen, vroeg hij hen wat de voornaam van Ibsen was. De jongens die het antwoord niet wisten, gooide hij er uit. Later, toen ik met mijn toekomstige man voor het eerst naar mijn ouders ging, zei ik van te voren: Luister, het antwoord is Henrik. Vergeet het niet.”

Blozen

„Er zat een jongeman uit Nederland bij mij in de klas toen ik Roemeense letterkunde studeerde in Boekarest. Hij was anders dan de mannen die ik kende. Zwijgzaam. Introvert. Geen macho-Roemeen. Ik was tegendraads, ik maakte ruzie met alle leraren. En elke keer dat ik dat deed, zag ik dat die Nederlandse jongen bloosde. Ik werd verliefd op hem en hij op mij. Ik viel altijd op oudere mannen, op vaderfiguren, maar toch trouwde ik met André, een jongen van mijn eigen leeftijd. Iets in mij was dus gezond gebleven. We vestigden ons in Boekarest en ik maakte carrière als journaliste en schrijfster. We kregen een dochter, Eva. Maar op een dag zei André dat hij het water miste. Ik zei: Hoezo? Het regent hier toch ook? Ik had geen idee wat Nederland was. Nu weet ik het, nu zou ik het water ook missen. Ik wilde niet dat Eva opgroeide zonder vader. Dus ben ik André gevolgd naar Nederland.”

Depressie

„In Nederland zakte ik in een depressie. Ik had alles opgegeven toen ik wegging uit Roemenië. Ik had daar een geweldige baan bij de radio, ik had drie romans op mijn naam staan, ik stond zelfs in boeken over de Roemeense literatuurgeschiedenis. In Nederland was ik niemand. André was voortdurend aan het werk en ik voelde me zo eenzaam. Mijn grote kans was de centrale bibliotheek in Den Haag. Ik kreeg daar een baan als medewerker en leerde er Nederlands spreken, gewoon door met mensen te praten. Ik kreeg het vertrouwen in mijzelf terug, ik kreeg mijn identiteit terug, mijn identiteit als werkende vrouw. Bovendien zat ik daar tussen de boeken. En waar boeken zijn, zijn ook wonderen.”

Spaghetti met olijfolie

„Op een avond ging ik naar een lezing van Kader Abdolah en toen wist ik: wat hij doet, kan ik ook. Toen ging ik schrijven, in het Nederlands. Schrijven is niet alleen een manier om je te uiten, het is ook een manier om te communiceren. Ik wilde communiceren met de mensen om me heen. Ik wilde direct contact, niet via een omweg, niet via een vertaler. Ik pijnigde mezelf, want deze taal kwam langzaam en ik had hem nog niet getemd. Ik zwoeg nog steeds op drie versies als ik een boek schrijf, maar ik ben niet meer te stoppen. Ik grap weleens: Ik heb een vreselijk accent en daarom schrijf ik, want dan hoor je het niet. Het wordt nooit perfect, want ik gebruik een geleende taal. Ik heb minder woorden tot mijn beschikking dan jij. Maar als je weinig ingrediënten hebt, zeg je toch ook niet: ik kook maar niet? Dan zeg je: ik maak spaghetti met olijfolie. Dat is ook heel lekker.”

De school van het leven

„Ik wilde helemaal niet over de kunstroof schrijven. Drie Roemenen stelen zeven schilderijen van wereldberoemde kunstenaars uit de Rotterdamse Kunsthal en de moeder van een van hen gooit die schilderijen in de kachel. Weer Roemenen die negatief in de publiciteit komen. Maar toen las ik in een Roemeense krant dat de hoofdverdachte een 19-jarige vriendin had, genaamd Tascha, die hij tot prostitutie dwong. En dat Tascha op haar Facebookpagina bij ‘studie’ had geschreven: de school van het leven. Toen dacht ik: hier heb ik een personage voor een boek. Ik vond dat zo ontroerend, zo triest en zo dom. Wat voor school is het leven als je je lichaam verkoopt en het geld dat je krijgt inlevert bij je ‘vriend’? Tascha dacht dat haar mooie figuur de sleutel voor een mooie toekomst was. Maar helaas: de gevaarlijke jongen uit haar dorp kreeg haar in het oog. En hij zei: je bent zo mooi, je kunt makkelijk geld verdienen.”

Nichtjes

„Ik heb talloze politiedossiers over de kunstroof doorgespit. Wat mij schokte was dat iedereen alleen maar bezig was met die schilderijen en dat niemand zag dat er ook sprake was van mensenhandel. Er werd een jong meisje tot prostitutie gedwongen, is dat niet veel ernstiger? Het waren trouwens drie meisjes, want alle drie de daders hadden een meisje in de prostitutie zitten. Waarom zijn ze daar niet voor gestraft? Dat is de reden dat ik dit boek heb geschreven. Om dat verhaal te vertellen. Die meisjes, dat zijn nichtjes van mij, zo voel ik dat. Omdat ik ook uit zo’n arm Roemeens dorp kom en weet hoe belangrijk het is om kansen te krijgen. In Nederland begrijpen jullie dat niet, maar de kloof tussen lerares of prostituee worden is in Roemenië niet zo diep. Het is simpelweg een kwestie van kansen.”

Rosse buurt

„Ik ben voor mijn boek naar de Geleenstraat gegaan, een prostitutiestraat in Den Haag. Om te kijken hoe het er daar aan toe ging. Om iets te begrijpen van wat zich afspeelt in een rosse buurt. Tussen de mannen die daar liepen, zag ik bekende gezichten. Daar schrok ik van. Ik vroeg me af: hoe kan het dat deze mannen bewust het risico nemen om seks te hebben met een vrouw die gedwongen in de prostitutie zit? Ik rij regelmatig met de tram langs de Geleenstraat. Dan moet ik de neiging onderdrukken om uit de tram te springen en er iets van te zeggen tegen de mannen die daar rondlopen voor hun plezier.”

Baklava met honing

„Vorig jaar heb ik mijn ouders uitgenodigd om negen weken te komen logeren. Ik wilde weten hoe ze nu zijn, ik wilde het helemaal meemaken. Maar ik ben behalve die volwassen vrouw ook het boze meisje dat werd weggestuurd. De tweede dag liepen de emoties zo hoog op dat mijn ouders meteen terug naar Roemenië zijn gevlogen. Ik heb hen vervolgens gebeld en gevraagd of ze het nog een keer wilden proberen. Dat wilden ze. Toen zijn ze weer naar Nederland gekomen en uiteindelijk zijn we er toch in geslaagd elkaar de liefde te laten zien die we voor elkaar voelen. Dat maakt mij blij. Alsof ik baklava met honing heb gegeten.”