Als de who-is-who van Den Haag ineens totaal anders is ingedeeld

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Rutte, Asscher en het machtsspel achter de belastingdiscussie. Ofwel: waarom de rolverdeling in de landspolitiek deze week bijna volledig veranderde.

Nieuwe politieke werkelijkheid: jarenlang voelde de oppositie de vrijheid de coalitie de hoek in te drijven. Nu voelt de coalitie de vrijheid de oppositie de hoek in te drijven.

Het past bij de plotselinge rolverwisselingen die zich in Den Haag voltrekken. Een plan zit er niet achter, het ontstond toevallig en instinctief, en voor iedereen is het wennen. De één kan zijn nieuwe rol niet accepteren, de ander begrijpt hem nog niet. Weer een ander ergert zich.

Het kwam deze week schitterend in beeld door het belastingdossier. Alle politieke logica sinds 2013 was verdwenen. Verwarring resteerde: bekende politici, soms begenadigde tactici, die hun eigen plaats op de pikorde niet meer kenden. En ook niet konden zeggen op welke bladzijde van de Haagse who-is-who ze zelf eigenlijk wilden staan.

Belastingpolitiek is, zoals bekend, lastige politiek. De conflictzone tussen het individuele inkomen en de kosten van het algemeen belang. Ambities op dit beleidsgebied zijn altijd moedig maar riskant: veel reuring, veel lobbyisten, zelden resultaat.

En dit keer is het kabinet verzeild geraakt in twéé belastingdiscussies. Een over lagere belastingen, een over een ander belastingstelsel. Waarbij die over verlaging een gretig coalitieverlangen is, en die over een ander stelsel een moetje.

De coalitie had dat andere stelsel vorig jaar zomer al opgegeven. Maar onder druk van de oppositie, vooral Pechtold (D66) en Buma (CDA), formuleerde het in het najaar wat doelstellingen. En door de opleving van de economie is er ineens geld die doelstellingen te verwezenlijken. Een overwinningsnederlaag.

Maar gelijktijdig met de economische opleving verzwakte het bestuurlijke klimaat. De verspeelde meerderheid in de Eerste Kamer leidt ertoe dat Rutte II de steun voor zijn belastingpolitiek nu bij elkaar moet bedelen: in bijna alle opties zijn de stemmen van vier oppositiefracties vereist.

Intussen verandert de verbeterende economie de electorale calculus. In tijden van sappelen is regeren riskant en opponeren interessant; dit heeft deze generatie politici de afgelopen zeven jaar stelselmatig ervaren. In tijden van groei is dit zo vanzelfsprekend niet meer.

Ziehier de omstandigheden waarin deze week, woensdagavond, de coalitie op Financiën ging praten met zes oppositiepartijen over haar belastingplannen. Plannen die tot dat moment formeel geheim waren.

En wat daar gebeurde, ik kan het niet anders zeggen, was hogeschoolpolitiek. Schitterend. Een game changer.

De belastingverlagingen, vijf miljard euro in 2016, eiste de coalitie voor zichzelf op. Nu wij. Het goede nieuws is van ons. Geen inschikkelijkheid meer, maar bluf: we horen het wel als jullie, oppositie, de burger dit moois durven te onthouden.

Dat was één. Daarna kwamen de veranderingen van het belastingstelsel: een uitruil van hogere btw tegen minder belasting op werk (goed voor bestrijding van werkloosheid); en een uitruil van lagere rijksbelastingen tegen de vrijheid van gemeenten meer taken op zich te nemen dan wel tarieven te verlagen.

Over deze twee ‘pakketten’ wilde het kabinet wél praten met de oppositie, omdat er ‘breed draagvlak’ nodig is voor deze veranderingen. Anders gezegd: als de oppositie dat andere belastingstelsel werkelijk wilde, moesten ze er maar medeverantwoordelijkheid voor nemen.

Dit was dus de bottom line: de oppositie was er voor het vuile werk, het goede nieuws claimde het kabinet alleen wel. Rutte II als Grote Dikke Ik: toedeledoki, oppositie.

En de hele week kon je merken dat deze aanpak vrijwel alle Haagse hoofdrolspelers tot introspectie dwong. Je zag het dinsdag al, voordat de plannen formeel bekend werden, toen zomaar een nieuwe oppositieleider opstond: Emile Roemer (SP).

Hij haalde, als grootste oppositiepartij, alle andere oppositiepartijen naar zijn kamer. Hij wilde afspraken maken over de vertrouwelijke bijeenkomst, de volgende dag, waarin de coalitie haar plannen bekendmaakte. Maar het resultaat was nogal wonderlijk: toen de genodigden hadden gemeld dat ze naar Financiën zouden gaan om de plannen aan te horen, zei Roemer plompverloren dat hij wegbleef. De nieuwe oppositieleider had zichzelf binnen twintig minuten afgeschaft.

Vervolgens bleek woensdagavond uit de plannen dat één toonaangevende Haagse speler opmerkelijk matig had gepresteerd: VNO-NCW, dat de naam heeft de beste lobby van Den Haag te zijn. Niet dus. Jarenlang accepteerden ze lastenverzwaringen voor werkgevers, en nu het op miljarden lastenverlaging uitdraaide bleken diezelfde werkgevers amper mee te delen. Zij keerden zich tegen de btw-verhogingen en stapten zo, ongemakkelijk voor de VVD, uit hun polderrol: verzet.

Op Financiën zelf viel die avond in de binnenkamer vooral op hoe Pechtold en Slob (CU), tot onlangs bondgenoten in de constructieve oppositie, elkaar in de haren vlogen. Slob had zich, voor zijn doen, de dagen tevoren ongebruikelijk groot gemaakt: hij eiste openbaarmaking van de kabinetsplannen als voorwaarde voor verdere onderhandelingen.

Maar ook toen hij die toezegging binnen had (die was woensdagmiddag al gedaan), maakte Slob een voorbehoud voor zijn deelname aan vervolgoverleg vanaf volgende week. Het schoot Pechtold in het verkeerde keelgat, waarmee de D66-leider – nogal bozig - voor het kabinet de kastanjes uit het vuur haalde.

Buma (CDA) bleef van alle politici nog het dichtste bij zijn bekende rol: niet beschikbaar voor onderhandelen in beslotenheid. Al is dit gezien de traditie van zijn partij beslist een bijzondere positie. Zeker nu de CDA-leider zich in het gezelschap van Roemer, Krol (50Plus) en Wilders (PVV) bevindt. Maar Wilders riep deze week dat dit kabinet bijna geen oppositie meer overhoudt, en dat is óók waar.

Buma’s consistentie – geen slecht wapen bij verkiezingen – veroorzaakte dat de coalitie één smalle route overhield om dat andere belastingstelsel overeind te houden: via de constructieve drie (D66, CU, SGP) aangevuld met GroenLinks.

Voor Jesse Klaver, een maand partijleider, een nogal confronterende keuze. Uitgerekend begin volgende week houdt hij een grote toespraak om uit te leggen hoe hij „Nederland gaat veranderen”. Het soort politieke aspiratie dat niet meteen past bij geheim overleg over belastinglingo, waar hij twee dagen later verwacht wordt.

Toch is Klavers Haagse positionering cruciaal: doet hij werkelijk mee, dan is dat gunstig voor Samsom en Pechtold (inzake ‘vergroening’ van het belastingstelsel) maar bloedlink voor Zijlstra. De VVD-leider moet voortdurend schipperen tussen Rutte’s liefde voor deal making en de behoefte van de VVD-achterban aan een harde opstelling tegen links.

Bij de bed-bad-broodcontroverse ging dit al bijna fout. En in dit dossier is het risico nog groter dat de VVD, toch al onder vuur bij werkgevers, tekent voor fiscale milieubeleid waarvan rechts Nederland gruwt.

Maar van alle rolveranderingen is, vermoed ik, die van Pechtold toch weer de belangrijkste. Als informeel leider van de C3 regisseerde de D66-leider de laatste drie jaar de coalitie. Zij waren van hem afhankelijk, hij kon ze bekritiseren waar hij wilde. Die rol is hij kwijt.

En die kan hij terugwinnen als hij volgende week toch eist dat de coalitie haar plannen voor belastingverlaging verandert. Eerder CPB-onderzoek leerde dat de algemene lastenverlichting die de coalitie wil invoeren weinig betekent voor de werkloosheid – en het ligt voor de hand dat de D66-leider hier veranderingen eist.

Bijkomend zou zijn dat Pechtold dan de kern van de belastingplannen trotseert – ‘niemand durft tegen onze belastingverlagingen te stemmen’ – zodat D66-leider zich alsnog in het centrum van de discussie weet te positioneren.

Dus inderdaad: de openingszet van de coalitie was deze week superieur. Even was zowat iedereen zijn rol kwijt – en aan het einde van de week waren talrijke leiders nog steeds onzeker over de gevolgen hiervan.

Tegelijk bleef het Nederland, en bleef het Den Haag: als een kabinet en een premier de anderen zo gretig te slim af zijn, zullen de anderen, openlijk of via achterommetjes, altijd proberen terug te vechten. Die rol is zo oud en vertrouwd, die kan iedereen in de politiek aan.