Zelfs het verkeer is muziek

We leven in een tijd van ultradikke boeken. Rechtvaardigen die hun lengte? Een terechte vraag als het om Marlon James gaat, die breeduit schrijft over zijn thuisland Jamaica .

Muurschildering van Bob Marley in Ocho Rios, Jamaica
Muurschildering van Bob Marley in Ocho Rios, Jamaica Foto Buena Vista Images/Getty Images

Paradox: we leven in het tijdperk van de geringe aandachtsspanne, maar ook in het tijdperk van de ultra-dikke boeken. Stoeptegels van Eleanor Catton (Al wat schittert, 832 pagina’s) en Donna Tartt (Het puttertje, 928 pagina’s) gingen er met grote prijzen vandoor, en het gonst van de buzz rond Garth Risk Hallbergs debuut City on Fire (944 pagina’s) en Mark Danielewski’s The Familiar (2 delen van 880 pagina’s elk). Rechtvaardigen zulke boeken hun lengte, of gaat het geregeld om de gedrukte misvatting dat gewicht in papier gelijkstaat aan soortelijk gewicht?

Die vraag drong zich op tijdens het lezen van Marlon James’ verre van beknopte Een beknopte geschiedenis van zeven moorden, een historische roman met een Tolstojaanse cast en met beduidend meer dan zeven moorden.

‘Onthoud dit, brave, nette lieden. Een verkiezingsjaar begint op het moment dat het eerste schot valt.’ Aan het woord is Papa-Lo, don van Copenhagen City, een van de getto’s van Kingston, Jamaica. Het is december 1976 en de hoofdstad wordt verscheurd door bendegeweld in en rond de sloppenwijken. Aan de politie heb je weinig, aldus de sinds kort werkloze Nina Burgess. ‘De politie op Jamaica heeft meestal de sirene aan, zodat mensen aan de kant gaan en zij eerder bij de Kentucky Fried Chicken zijn.’ Sterker, als je niet oppast word je meegenomen en verkracht.

Het geweld, zo wordt duidelijk, is een voortzetting van de politieke strijd tussen de People’s National Party en de Jamaica Labour Party, waarbij bendes als stoottroepen worden ingezet. In aanloop naar de verkiezingen maken de partijen bovendien cynisch gebruik van verbroederingspogingen van de Zanger, in wie we reggae-grootheid Bob Marley herkennen.

In de dagen voorafgaand aan zijn Smile Jamaica-Vredesconcert ontvangt Marley bendeleiders en politici in zijn villa op de heuvel. ‘Voor het avond was zag ik hem wiet roken met Papa-Lo,’ zegt gangster Bam-bam, ‘en daarna gaf hij een envelop aan een man die voor Shotta Sherrif werkt en grotere jongens dan ik vragen zich af waar die natty dread mee bezig is.’ Dan, op 3 december 1976, dringt een groep mannen het huis van Marley binnen. Er worden 56 schoten gelost die Marley, diens vrouw en diens manager verwonden maar op miraculeuze wijze niet doden. Sterker: het concert zal gewoon doorgang vinden, al gaat Marley vervolgens wel voor langere tijd in zelfgekozen ballingschap.

Schrijver Marlon James (1970), geboren en opgegroeid in Kingston, gebruikt deze nooit opgehelderde moordaanslag op Marley als brandpunt van een caleidoscopisch beeld van zijn geboorteland. Een beknopte geschiedenis van zeven moorden is de getuigenis van fictieve daders en andere actoren, onder wie CIA-agenten, onschuldige burgers, de geest van een dode politicus en een Rolling Stone-journalist met een fascinatie voor Kingston. (‘Als je raam openstaat is zelfs het verkeer muziek.’) Uit de kakofonie van personages komen uiteindelijk twee het sterkst naar voren, Nina Burgess, die ooit het bed deelde met Marley, en Josey Wales, de enforcer en latere don van Copenhagen City, dat overigens in het echt Tivoli Gardens heet.

Dit is intrigerende materie, genoeg voor een lijvige roman, maar na de aanslag op Marley zijn we pas driehonderd pagina’s ver. De daarop volgende vierhonderd brengen ons onder meer naar het New York van de jaren tachtig, waar Jamaicaanse bendes mede de dienst uitmaken in de drugshandel, en naar het rustigere vaarwater van de jaren negentig. De Zanger verdwijnt uit beeld, ten faveure van Josey Wales, die in een James Ellroy-achtige scène een bloedbad aanricht in een crackhouse, maar de verveling heeft dan allang bij deze lezer toegeslagen.

Dat ligt aan een aantal literaire keuzes, waaronder de keuze níet te kiezen en te proberen de hele Jamaicaanse bendeproblematiek in een roman te proppen. Dat maakt deze beknopte geschiedenis veel te dik, of beter, veel te dik voor de gekozen vorm. James laat vijftien personages in monologue intérieur spreken, zoals afgekeken van Faulkners As I Lay Dying, maar James is Faulkner niet – doordat veel stemmen op elkaar lijken, wordt het geheel al snel repetitief. Bovendien kan James door die vorm ook te weinig stijlmiddelen inzetten om te variëren en de aandacht van de lezer vast te houden. Waarbij aangetekend moet worden dat in vertaling het Jamaicaans patois moeilijk te vangen blijkt.

Een andere keuze die ik problematisch vind, is die van het fictionaliseren van het evident feitelijke. Kernscènes – de moordaanslag op Marley, het bloedbad in het crackhouse – zijn gebaseerd op ware gebeurtenissen, de bendes op bestaande bendes en zelfs een fictief figuur als Josey Wales op een echte gangster, Lester Coke. Het is te begrijpen dat James voor zijn verzonnen personages namen verzint, maar waarom de namen van sloppenwijken veranderen, en waarom Bob Marley consequent met ‘De Zanger’ aanduiden? Diens naam is al iconisch genoeg. Het verwart en haalt ook de angel eruit.

Wat de schrijver wel voor elkaar kreeg is dat ik met hernieuwde interesse naar het werk van Bob Marley & The Wailers ben gaan luisteren, en dan vooral de klassieke albums Burnin’ en het na de aanslag opgenomen Exodus. Doe dat ook. Sterker dan in dit boek komen daarop de wanhoop van de getto, de politieke spanningen van het tijdsgewricht en de rol van spiritualiteit in het Jamaicaans leven naar voren. Soms kun je beter luisteren dan lezen.