Toen Amsterdam op springen stond

Het is geen toeval dat de VVD eerst als contrapunt floreerde, daarna de culturele revolutie omarmde met de leuze ‘gewoon jezelf zijn’ en zich nu weer teweer stelt tegen de ‘Dikke Ik’. Het antwoord ligt in provo.

Illustraties Ron van Roon
Illustraties Ron van Roon

Plotseling gaf meester Van der Stel de kinderen in de vierde klas een tip. Er waren die 14 juni 1966 rellen rondom de Dam in Amsterdam. Nadat in maart provo’s het huwelijk van prinses Beatrix en prins Claus met rookbommen hadden verstoord, waren nu (communistische) bouwvakkers opgerukt naar het gebouw van de De Telegraaf. Daar moesten wij, tienjarigen op een schooltje in het centrum, verre van blijven. Ik luisterde gedwee.

Thuis kreeg ik een ander verhaal te horen. De politie dacht het straatrumoer met lange lat en blanke sabel de baas te kunnen. Dat bleek een fiasco. In 1966 kantelden de verhoudingen. Burgers kregen sympathie voor die gekke jongelui die zo onbehouwen hard werden aangepakt. De omslag had ook te maken met het feit dat de oppositie over een bredere linie oprukte. Op de universiteiten roerde zich een Studentenvakbeweging. Nieuw Links schudde de PvdA op. PSP’er Otto Boetes ging voor in (verboden) trottoirbetogingen tegen de Vietnamoorlog van ‘Johnson Molenaar’.

Mijn vader was zo’n burger die partij koos voor de provo’s. Hij was advocaat van onder anderen Hans Tuynman, Peter Bronkhorst, Koosje Koster, Felice Schuyt en Irene van de Wetering. Op het hoogtepunt van het politiegeweld zaten wij thuis bij de soep- en broodmaaltijd op zaterdagavond in gespannen afwachting: welke cliënten waren nu weer gearresteerd. De strafzaken die volgden, waren kansloos. Mijn vader deed als een der eerste advocaten een beroep op het Verdrag van Rome. Kansloos. De magistratuur had geen boodschap aan dat mensenrechtenverdrag. Rechtbankpresident Ubbo Stheeman had hem bij een borrel van de balie ooit toevertrouwd: ‘U zult bij mij nooit een zaak winnen.’

Een jaar later was alles anders. De bestuurlijke elite voelde dat ze met de rug tegen de muur stond. Het was buigen of barsten. De elite koos voor de eerste optie. Ze ging ‘schikken en plooien’, zoals historicus James Kennedy het omschreef. Provo hief zichzelf in 1967 op en burgemeester Gijs van Hall werd ontslagen.

Dit aureool zou hem nooit meer verlaten. Ten onrechte. Sinds 1960 had de PvdA-patriciër de regering gesmeekt om meer politieagenten. Nooit eerder was de stad met 872.000 inwoners zo dichtbevolkt en ook zo jong geweest. De jeugdcultuur trok als een veenbrand door stad en land. Amsterdam stond op springen. De kabinetten van De Quay, Marijnen en Cals hadden niet naar Van Hall geluisterd. Toch kreeg hij, de man die De Nederlandsche Bank in Amsterdam had weten te houden, de diensteneconomie van de stad had ‘gered’ en een standbeeld verdient, de schuld van de gezagscrisis.

Witte wijvenplan

Na Van Hall konden plooibaardere politici oogsten. De demonstratievrijheid, ondanks de grondwet een wassen neus, werd verankerd. De bezetting van het Maagdenhuis in 1969 leidde tot democratisering van de universiteit. Het progressieve Nieuw Links veroverde de ouderwets sociaal-democratische PvdA. Het ‘witte wijvenplan’ van provo mondde via Man-Vrouw-Maatschappij en Dolle Mina uit in een ‘tweede feministische golf’. En ideeën als de witte fiets en de witkar waren de aanzegging dat de harteloze industriestad via renovatie en gentrification leefbaar zou worden. Ook op andere maatschappelijke niveaus diende de individuele zelfontplooiing zich aan. Nederland werd een ‘prudent progressief’ land, zoals premier Lubbers het later zou uitdrukken.

Zonder provo geen liberale premier Rutte, zou ik willen toevoegen. Vijftig jaar na dato is dan ook een reeks boeken en memoires verschenen.

Eric Duivenvoorden (1960) – die eerder schreef over rookmagiër Robert Jasper Grootveld en kraakbeweging – is gekomen met Rebelse jeugd. Duivenvoorden laat zien dat provo niet uit de lucht kwam vallen. Nozems en andere jongeren leverden in de jaren vijftig al strijd om te mogen swingen op Lionel Hampton of de film Rock around the clock. Provo was een verschijningsvorm van het jeugdprotest dat zich de hele eeuw al keerde tegen paternalisme en repressie. Zelfs dansen werd gezien als (seksuele en raciale) losbandigheid. Jongerencultuur was het ‘kwaad zelve’, aldus Duivenvoorden.

Het politiegeweld beperkte zich ook niet tot Amsterdam. In de provincie viel de eerste dode. Pas daarna ging de rebelse jeugd zich politiek engageren. Dat medio jaren zestig niet meer mensen aan beide zijden van de linies zijn gesneuveld, is een wonder. Helaas gaat Duivenvoorden daar niet verder op in, zoals hij ook te weinig aandacht schenkt aan de relatie tussen de consumptiemaatschappij met haar ‘klootjesvolk’ en de groeiende ‘repressieve tolerantie’.

Niek Pas (1970) heeft een eerdere studie uit 2003 bewerkt tot Provo! Mediafenomeen. Pas beschrijft de wisselwerking tussen het imago (imaazje) en de media. De ‘political art’ van Provo werd een hype. De mythe dat de pers de hielen van de macht likte, prikt hij door. De Volkskrant was een benepen krant. De Telegraaf koos partij voor de ‘Jantjes’ uit Den Helder die eigenmachtig Amsterdam kwamen schoonvegen. Maar Het Parool, als het om Vietnam ging loyaal aan Amerika, deed juist onbevangen verslag.

Trommelaar

Auke Boersma (1946) beschrijft zijn tijd als trommelaar bij provo. Als zoon van een autoritaire, altijd afwezige of drinkende, vakbondsman, die het tot het establishment van de Sociaal Economische Raad had geschopt, onderging Boersma de chaos van de happenings als een loutering. Om zijn eigen kinderen alsnog deelgenoot te maken, heeft hij zijn memoires opgeschreven alsof hij terug in de tijd gaat. Het resultaat is geen beschouwing maar een kostelijk en bezopen boek voor insiders, tijdgenoten of gelovigen.

Meindert Fennema (1946) kijkt in Goed Fout. Herinnering van een meeloper terug op zijn tijd bij het studentencorps in Utrecht én de communistische partij te Amsterdam. Fennema vermijdt de kluchtigheid van de tijd niet, maar hij reflecteert wel. Fennema is een voorbeeld van de ‘externe democratisering’ in de jaren zestig, zoals de groei van het hoger onderwijs met studenten uit gewone milieus toen werd genoemd. Tegelijkertijd wekt hij de indruk dat hij altijd een buitenstaander is gebleven. Hij ziet van alles. Hij doet loyaal mee in de CPN. Maar als kritische ‘kameraden’ in die partij te hoop lopen tegen de ‘gestaalde kaders’, houdt hij zich afzijdig. De essaybundel Alles moest anders (1991), waarin ex-CPN’ers als Anet Bleich, Elsbeth Etty, Arnold Koper, Constant Vecht en Max van Weezel zichzelf soms meedogenloos de maat nemen, is aan hem niet besteed. Gijs Schreuders, die in 1992 de tragische terugblik De man die faalde schreef, roept nog steeds spot en ergernis bij hem op. De ondertitel ‘meeloper’ is treffend gekozen.

Hoewel Fennema nu een kwart eeuw na dato voortborduurt op hun introspectie heeft hij toch ook een eigen verklaring voor zijn route van studentenjool naar communisme. Die overstap had met Vietnam te maken. Maar er was ook een minder rationeel motief. Dat communisten angst inboezemden bij de elite was een ‘dieperliggende aantrekkingskracht’. Die angst was ook seksueel geladen. ‘Net zoals Badr Hari indruk maakte op de mooiste vrouwen, zo trok de CPN vaak de beste studenten aan’, aldus Fennema. De overeenkomst tussen het corps en de partij was dat nieuwkomers zich moesten laten vernederen door de kaders. Het verschil was dat het in de CPN ‘altijd groentijd’ was. ‘Het Corps eiste alleen conformisme in het uiterlijk van zijn leden, de CPN eiste innerlijk conformisme’, schrijft Fennema. Waarom hij toch tot het bittere eind lid bleef van die ‘vereniging van politieke karaktermoordenaars’? Omdat het lekker was deel te zijn van een gemeenschap die ‘elitair tot op het bot’ was. Dankzij het marxisme waren CPN’ers ‘in het bezit van een morele waarheidsclaim.’

Van dit kwartet is Goed Fout het breedst van opzet. Duivenvoorden stopt op het moment dat de burgemeester zijn almacht verliest en verantwoording aan de gemeenteraad moet gaan afleggen. Dat is jammer. De jaren zestig hebben de maatschappij juist daarna ingrijpend veranderd.

Polder-poetinisten

Het cliché wil dat de progressievelingen uit die tijd al een halve eeuw de dienst uitmaken. Toch is de nomenklatoera van de hoogste bestuurlijke elite niet aan die omwenteling ten onder gegaan. De PvdA heeft sinds 1965 maar 25 jaar mee geregeerd, de VVD ruim 35 jaar. Provo en de studentenbeweging hebben ook geen enkele premier geleverd. Na de vooroorlogse Kok kwam meteen de postrevolutionaire Balkenende. En hoeveel latere ministers ontleenden die positie aan de ervaringen die ze in de tijd van jeugdprotest, provo en studentenbeweging hadden opgedaan? Ze zijn op de vingers van één hand te tellen. De PvdA’ers Jacques Wallage, Karin Adelmund, Ella Vogelaar en Fortuyn-man Eduard Bomhoff, die ooit de tuin van het volgens hem door de Amerikanen gefinancierde Nederlands Studenten Akkoord omspitte, al roepend ‘wie NSA zegt, moet ook NSB zeggen.’

Provo en Nieuw Links hebben zich natuurlijk wel maatschappelijk gemanifesteerd. Het liberale karakter, waarop Nederland zich laat voorstaan, stamt uit de jaren zestig. Door collectieve ontvoogding kon de onderdaan van weleer eindelijk staatsburger worden. Dankzij de democratisering van allerlei maatschappelijke instellingen en openbaar bestuur ging het centrale gezag meer verantwoordelijkheid delen met de burger en ontwikkelde zich een vorm van democratisch corporatisme, zoals het poldermodel kan worden omschreven.

Aan die doorwerking is pas begin deze eeuw een einde gekomen. Een golf van autoritair leiderschap spoelt sindsdien over verschillende sectoren heen. We willen weer een verhaal en luisteren daarom graag naar polder-poetinisten die dat groots vertellen.

Het is geen toeval dat de VVD eerst als contrapunt floreerde, daarna de culturele revolutie omarmde met de leuze ‘gewoon jezelf zijn’ en zich nu weer teweer stelt tegen de ‘Dikke Ik’.

Geen van de boeken, die een halve eeuw na dato zijn verschenen, kijkt echter naar dit heden vooruit. Zolang dat niet gebeurt, blijven de jaren zestig voor de babyboomers wat de Efteling is voor kinderen van alle tijden: een nostalgisch avontuur voor later.