Tilburgse wietteelt vergiftigt Turkse jeugd

Een deel van de Turkse gemeenschap in Tilburg zit diep in de wietteelt. Die criminele activiteit wordt oogluikend geaccepteerd, vertellen twee bezorgde moeders. „Hoe kan ik mijn dochter aanspreken als zij een jointje rookt, wanneer ik zelf in de teelt zit?” 

Foto: Dolph Cantrijn/Hollandse Hoogte
Foto: Dolph Cantrijn/Hollandse Hoogte

‘Bijna al mijn vriendinnen teelden. Op verjaardagen bespraken we openlijk hoeveel kilo we hadden geoogst. Niemand klikte. Mensen kijken liever weg.” Twee moeders zitten samen in de keuken van een huurflat in Tilburg Turkse thee te drinken. Ze bespreken de laatste drama’s die zijn voorgevallen bij vrienden in de wietteelt, waar een deel van de Turks-Nederlanders gemeenschap in de stad actief in is. „Weet je het al van Fatma? Ze is betrapt en met haar vier kinderen het huis uit gezet.”

Allebei kwamen ze naar Nederland om een Turkse man te trouwen. Hulya Cigdem (39), toen ze vijftien was. Haar vriendin (39), toen ze negentien was. Allebei kregen ze één dochter. Allebei merkten ze hoe makkelijk en verleidelijk het was om met telen van wiet te beginnen. Hun keuzes liepen uiteen.

Nu hebben ze elkaar hervonden in hun gedeelde zorg om de toekomst van de Turkse jeugd. Om haar openlijke strijd tegen drugsgeld kracht bij te zetten heeft Hulya haar vriendin gevraagd vandaag haar verhaal te doen. „Ben je zenuwachtig?” De vriendin antwoordt dat ze de hele nacht niet heeft geslapen. Ze heeft getwijfeld of ze dit wel kan maken tegenover haar vrienden in de wietteelt. Toch begint ze te vertellen. „Want wietteelt is een heilloze weg. Elke jongere die op het rechte pad komt, is winst.”

Ze raakte na de geboorte van haar dochter in een postnatale depressie waardoor ze niet meer kon werken. Zij en haar man belandden in de schulden. Haar man liet zich door een Nederlander overhalen te investeren in de wiet in de hoop zo gemakkelijk uit de geldproblemen te komen. De eerste vijf jaar teelde haar man buiten haar om. Nooit bij hen thuis, maar op zolders van anderen. De tien jaar die daar op volgden, raakte ze er bij betrokken. Haar man zei dat wietteelt heel normaal was in Nederland. „De eerste keer dat ik de plantjes zag, dacht ik: is dit het nou? Het leken wel tomatenplantjes.”

Ze leerde planten. Ze leerde over lastige spinnen en ziektes als toprot. Ze ontdekte dat het niet de bedoeling was de planten zo hoog mogelijk te laten groeien. „Dan schoten de planten in de stress en kregen ze geen goede toppen meer.” Ze werd een wietteeltspecialist.

Het geld stroomde binnen. Schulden smolten weg. Ze leefden riant. „Zoiets geeft een drive. Iedereen in de teelt kent die. Je wilt door. Je wilt meer. Het is als een gokverslaving.” Ze begonnen in meer huizen tegelijk te telen. En in een loods. Haar man groeide uit tot een middelgrote jongen in de wietwereld.

En nee, het was helemaal niet moeilijk mensen te vinden die hun zolder ter beschikking wilden stellen. Je vroeg het ze gewoon. In het café, in het koffiehuis. Je zag zo wie er naar geld en aanzien verlangde. Je zei: ‘Wij regelen alles. Wij betalen het materiaal. En jij kan kiezen of je een deel van de winst wilt, of liever huur.’ Je beloofde de bekeuring te betalen als zij gepakt werden. „Dat was in de tijd dat mensen nog niet hun huis uit werden gezet.” Maar natuurlijk betaalde je de bekeuringen niet. Als je iedereen zou betalen, was je failliet. „Als het mis ging, gaven we gewoon niet meer thuis.”

Zij zorgde, zoals vrouwen deden, voor de planten. Hij regelde, zoals mannen deden, alles en verkocht aan coffeeshops. Hun dochter drukten ze op het hart op school niets te vertellen over wat papa en mama deden. Op den duur hadden ze een stuk of acht Bulgaren die voor hen werkten. Aarde naar boven sjouwen, stekjes zetten, knippen.

Tegen die tijd hoefde je je binnen de gemeenschap al lang niet meer te schamen als je in de wiet zat. Geld – hoe het ook verdiend was – gaf juist aanzien. Sommige ouders moedigden hun zonen aan met haar dochter te trouwen. „Ze zeiden: ‘Haar ouders zitten in de wiet en hebben geld’.”

Tal van mensen in de omgeving van de Vogeltjesbuurt wisten dat zij in de wiet zaten, maar niemand klikte. Waarom zouden ze? „Ik zou zelfs nu ook nooit klikken.”

Hulya steekt haar vriendin nog een sigaret toe. De vruchtengebakjes die ze voor dit bezoek had meegenomen, zijn al op. Op tafel staan de lege schoteltjes en drie kopjes verse thee. Onder tafel zes voeten in drie paar slofjes, want bij binnenkomst in dit huis doet iedereen schoenen uit en slofjes aan. Hulya’s vriendin vervolgt haar verhaal. Weer overwegend in het Turks, terwijl Hulya vertaalt.

Na de verleidingen, volgden de gevaren. Steeds meer investeerden ze. Bijvoorbeeld 12.000 euro in de inrichting van een loods (een compagnon investeerde de andere 12.000 euro). Maar de politie viel binnen. De Nederlander op wiens naam de loods stond, werd gepakt. Zij waren hun geld kwijt.

Toch hadden ze liever dat de politie de boel in beslag nam, dan dat er dieven kwamen. Als dieven oogstten vlak voordat ze dat zelf wilden doen, dan had er blijkbaar iemand gepraat. Of dan hadden ze niet goed genoeg opgelet. Dat gaf een onveilig gevoel. Dieven waren meedogenloos en bewapend.

Een zoon van vrienden is wel eens door dieven beschoten toen hij ging checken of de bewaker nog op zijn post zat in hun loods. „Hij dook net op tijd weg. Anders was hij dood geweest. Er was geweld. Er waren ruzies. De wietwereld heeft zo zijn eigen wetten en strafsysteem. En wat ik nu vertel, is nog maar het topje van de ijsberg.”

Uiteindelijk sliep ze nooit meer rustig, had ze paniekaanvallen. Vooral vlak voordat er geoogst moest worden (ongeveer twee maanden na het planten), was de spanning te snijden. De wietteelt had haar sociale omgeving totaal ontwricht. Ze wist niet meer wie ze kon vertrouwen. „Iedereen had een dubbele agenda.” Om haar heen zag ze huwelijken sneuvelen en vriendschappen kapot gaan.

Op een dag stopte een zwarte Mercedes voor één van hun wietpanden. Haar man werd gebeld en ging er naartoe. De mannen in de Mercedes zeiden dat hij kon kiezen: of een deel van de winst afstaan, of zij zouden de politie bellen. Hij beloofde een deel van de winst af te staan, maar verplaatste daarna de plantjes stiekem snel naar hun eigen zolder die ze voor deze keer gebruikten als noodoplossing.

Niet veel later stond de politie voor hun deur. Ze werden hun huis uitgezet en daarna werd haar man in de gaten gehouden door de politie.

Het was in die tijd, nu twee jaar geleden, dat ze besloten te stoppen. Het werd ze te heet onder hun voeten. Bovendien leverde de wiet steeds minder op. Vroeger kreeg je 1.400 euro voor een kilo natte (niet gedroogde) wiet. Nu nog maar 700 euro. „Iedereen weet tegenwoordig hoe hij een zolder moet inrichten. De Bulgaren die vroeger voor ons werkten, doen het nu zelf.”

Ze kregen nog een aanbod om een villa te huren en vol planten te zetten, maar dat sloegen ze af. Haar man zei: „Als we dat doen, komen we nooit meer uit deze wereld.” Nu wonen ze in dit flatje. Tot hun dochter haar opleiding heeft afgerond en oud genoeg is. Dan willen zij en haar man terug naar Turkije, naar hun familie. „Onze dochter wil hier blijven.”

Ze heeft de afgelopen twee jaar veel gehuild. Ze heeft spijt, snapt achteraf niet wat haar heeft bezield, voelt zich bezoedeld door wat ze gedaan heeft. Toch was het ook moeilijk om te wennen aan haar nieuwe leefsituatie.

Vroeger had ze wel eens 20.000 euro in haar bh zitten. „Je koopt een auto of gaat op vakantie en het is weer op.” Nu komt ze maandelijks rond van 1.500 euro. Nu neemt de bioscoop waar ze had gesolliciteerd liever een Poolse aan omdat die goedkoper is dan zij.

Maar ze voelt zich nu wel rustiger. Opgelucht. „Dit is beter. Hoe kan ik mijn dochter aanspreken als zij een jointje rookt, wanneer ik zelf in de teelt zit?”

Ze vindt dat jongeren in deze samenleving worden vergiftigd. „Die zien hoe anderen gemakkelijk rijk lijken te worden van drugs. En dan denken ze: waarom zou ik naar school gaan, studeren? Ze worden op de arbeidsmarkt toch al gediscrimineerd.” Ze vindt dat de overheid hier mede schuldig aan is. „Het was alsof je naar de markt gaat. Zo gemakkelijk kon je alle spullen bij de growshop halen. En op de flacon stond gewoon dat het spul bedoeld was voor wiet, hoor.”

Ze wil dat de overheid coffeeshops verbiedt. Zodat niemand meer hoeft te zorgen voor hun voorraad, met alle gevaren van dien. „Zoals het nu is, gaat de samenleving naar de kloten. Wat moet er worden van onze kinderen?”

Dat is precies de vraag die ook vriendin Hulya Cigdem drijft. In het verleden hebben zij en haar vriendin talloze ruzies gehad als gevolg van Hulya’s onbegrip voor de keuzes van haar vriendin. Ze hebben elkaar zelfs een hele periode niet gezien. Maar nu zijn ze het eens. „Ik zie dat de kinderen die in de wiet zijn opgegroeid nauwelijks in toom te houden zijn. Wij zien dat allemaal en we maken ons zorgen. Daarom moeten we nu een keerpunt forceren. We moeten niet meer wegkijken en zwijgen.”

Hulya Cigdem en haar man weerstonden de verleiding in de wietteelt te gaan. Ook al werd meermaals aangeboden hun zolder vol te zetten met plantjes. Ook al waren ze arm en hadden ze een jong kind. Ze haalden brood bij pater Poels die in Tilburg de armen bijstaat. Ze stopten samen met roken om te bezuinigen. „Je hebt altijd een keuze.”

Cigdem wist dat ze haar vader nooit meer recht in de ogen zou kunnen kijken als ze aan wietteelt begon. „Alin teri is de belangrijkste waarde die ik van hem heb meegekregen. Dat betekent zweet op het voorhoofd. Er wordt mee bedoeld dat je op een eerlijke manier je geld moet verdienen. Gelukkig is mijn man net zo rechtschapen als mijn vader.”

Samen zetten Hulya en haar man een garage op in Goirle, waar ze ook nu nog wonen. En Hulya schreef twee boeken: De importbruid en De val van Mehmet. In dat laatste boek, dat onlangs verscheen, sterft fictieve hoofdrolspeler Mehmet nadat hij zwaar in de problemen is geraakt in de Tilburgse wietteelt.

Hulya wilde nog nadrukkelijker de aandacht vestigen op de wietteelt onder Turken. Met een aantal vrijwilligers begon ze begin dit jaar het burgerinitiatief Alin teri dat Turken – „maar ook Nederlanders, Marokkanen, Somaliërs… gewoon iedereen in Nederland” – oproept eerlijk hun brood te verdienen. Op hun website alinteri013.nl staan intussen 125 pasfoto’s van vrijwilligers en ambassadeurs die zo een statement willen maken tegen drugsgeld.

„En dit is pas het begin. We willen dat succesvolle Turken als rolmodellen aan Turkse jongeren gaan vertellen: ‘Er zijn mogelijkheden voor ons in Nederland.’ We willen dat ex-telers jongeren massaal waarschuwen voor alle ellende die bij de wietteelt komt kijken.”

Er staan al twee verhalen van mannelijke ex-telers online. Ze willen van Alin teri een grootse publiekscampagne maken, zetten een stichting op, en zoeken contact met scholen en bedrijven. „Een afspraak bij de gemeente staat al.”

Ze voelt zich gesteund door de vrijwilligers en ambassadeurs van de stichting. Door de Tilburgse burgemeester Noordanus die bij de eerste bijeenkomst van Alin teri de aanwezige Turken aansprak op hun verantwoordelijkheid met de woorden: „Het gaat om jullie en om jullie kinderen.” Door vele ex-telers die haar zorgen delen en met haar meedenken. Door haar man. Door haar dochter die criminologie studeert in Rotterdam „en die nu blij is dat ze van ons nooit wiettoppen mocht knippen voor vijftien euro per uur”. Door de politie die haar initiatief steunt en die ze altijd kan bellen.

Alle steun geeft haar de moed om door te zetten. En die moed is nodig. Want nee, niet iedereen is even blij met haar initiatief. „Ik vergelijk het met een tandenstoker. Eén tandenstoker kun je zo breken. Maar een hand vol tandenstokers niet.”