Staatscensuur op filmfestival Israël

Minister Regev (Cultuur) dreigt subsidies in te trekken als toneelstukken en films ‘de staat Israël bedreigen’.

De film Beyond the Fear, over de moordenaar van premier Rabin, wekte de woede van de cultuurminister.
De film Beyond the Fear, over de moordenaar van premier Rabin, wekte de woede van de cultuurminister. Stills: Ego Media

Ironisch is het wel, zegt de Israëlische filmmaakster Ada Ushpiz in het restaurant van de cinematheek in Tel Aviv. Ze heeft net een documentaire gemaakt over Hannah Arendt, de filosofe en politiek denker die schreef over totalitaire regimes waarin de vrijheid om te denken ingeperkt werd. Met die film maakt ze kans op de prijs voor beste documentaire op het Jerusalem International Film Festival, dat volgende maand wordt gehouden. Maar een andere documentaire in de competitie van het festival mag niet worden vertoond, op last van de minister van Cultuur, Miri Regev (Likud). Ushpiz: „De regering heeft de lessen van Arendt duidelijk niet begrepen.”

De gewraakte film, Beyond the Fear, gaat over Yigal Amir, de man die in 1995 premier Rabin vermoordde. Volgens Regev draait de documentaire om het verheerlijken van een moordenaar en wordt daarmee de staat Israël bedreigd. Onzin natuurlijk, zegt Ushpiz. „Het is zelfs belachelijk dat ik het moet uitleggen. De tijd van de moord op Rabin was een belangrijke periode in de geschiedenis van Israël. Alles wat ons begrip hierover kan vergroten, is een must.”

De vijftigjarige Regev is sinds vorige maand minister van Cultuur en Sport. Hiervoor maakte ze carrière bij het leger, waar ze opklom tot de functie van brigadegeneraal en hoofd van de woordvoering was. In 2009 kwam Regev, die uit een Marokkaans-Joods gezin komt, voor Likud in de Knesset.

Subsidies intrekken

Al bij haar aantreden kondigde Regev aan dat ze de subsidies zou intrekken van elke kunstuiting die de staat Israël zwartmaakt of in gevaar brengt. Die woorden heeft ze ook al een tweede keer waargemaakt: ze heeft de staatssubsidie bevroren van het Al-Midan-theater in Haifa, het enige Arabische theater van Israël. Daar wordt een toneelstuk opgevoerd dat is geïnspireerd op het levensverhaal van Walid Daka, een Palestijn die een levenslange gevangenisstraf uitzit voor het ontvoeren en vermoorden van een Israëlische soldaat in 1984.

Actrice Salwa Nakara van het theatergezelschap in kwestie is verbolgen. „Het stuk is niet eens politiek van aard. Het gaat over het leven in de gevangenis, hoe hij verliefd wordt en trouwt. We vormen geen oordeel over de personages, we brengen ze alleen maar op het toneel.” Het ministerie van Cultuur beweert dat het theater onder meer geld krijgt uit terroristische kringen. Belachelijk, zegt Nakara. „Dat zijn leugens. Het bevriezen van onze subsidie gaat over het snoeren van monden, het afsluiten van gedachten en het vernietigen van identiteiten. We worden gestraft omdat we niet Joods zijn. Dat noem ik fascisme.”

Het is niet de eerste keer dat Regev het verwijt van fascisme over zich heen krijgt. Enkele jaren geleden noemde ze „infiltranten” – de term die rechtse Israëliërs gebruiken voor asielzoekers – „een kankergezwel in ons lichaam”. Later bood ze haar excuses aan – aan kankerpatiënten.

Linkse bolwerken

Het is verleidelijk om het censuurbeleid van Regev te zien als symptoom van de nieuwe, ultrarechtse regering van Israël die tegen linkse bolwerken schopt. Zo overweegt haar collega-minister Shaked (Justitie, Het Joodse Huis) om een wet in te voeren die het „te linkse” Hooggerechtshof aan banden moet leggen. En linkse non-gouvernementele organisaties moeten wellicht verantwoording gaan afleggen over hun buitenlandse financiering.

Maar opmerkelijk genoeg kreeg Regev bijval van centrum-linkse politici als oud-president Shimon Peres en oppositieleider Isaac Herzog. Zij vinden het smakeloos dat de moordenaar van hun partijgenoot Rabin centraal staat in een film. Zo zitten we in „de situatie dat links het vuile werk opknapt voor rechts”, zegt filmmaakster Ushpiz. „Als zij zich gekwetst voelen, dan kijken ze toch niet? Wat ze vergeten is dat de vrijheid om te denken belangrijker is dan mogelijk gekwetste gevoelens.”

Volgens Ushpiz had Regev haar dreigement aan het adres van het filmfestival niet kunnen waarmaken. „De subsidie voor het festival loopt niet eens via haar ministerie.” Dat het festival toch is gezwicht, is volgens directeur Noa Regev – geen familie – vanwege „de gevoelens van het publiek”.

Ushpiz heeft nog overwogen om haar eigen film terug te trekken uit de competitie, maar vond dat dat een „collectief besluit” van alle deelnemers zou moeten zijn. Keurt minister Regev haar film over Arendt, die immers bekendstaat als kritisch op de staat Israël, eigenlijk wel goed? Ushpiz denkt van niet. „Maar ik denk niet dat Regev haar kent.”