Ouders in de stress: waar komt m’n kind?

Ouders willen dat hun kinderen diploma's behalen bij goed aangeschreven scholen. Als het moet spannen ze een rechtszaak aan.

Illustratie Tomas Schats
Illustratie Tomas Schats Illustratie Tomas Schats

De helpdesk van de Amsterdamse scholenkoepel zit op een geheime locatie, omdat ouders een medewerker zouden hebben bedreigd. Dinsdag dient een kort geding van dertig Amsterdamse ouders die boos zijn dat hun kind niet is geplaatst op de school waar het heen wil. Ze eisen dat kinderen onderling kunnen ruilen van plek, wat niet mag van de scholenkoepel.

In Amsterdam (en omliggende plaatsen als Amstelveen en Abcoude) is de ouderlijke paniek over de schoolloopbaan van de kinderen altijd het sterkst te zien. Daar woont een grote groep assertieve ouders met goeie banen – in de zakelijke dienstverlening, de medische sector, de financiële wereld. En daar staan een stuk of tien middelbare scholen waar iedereen heen wil en nog eens 60 die elk jaar nét genoeg leerlingen binnenhalen.

Het gaat om zo’n 7.500 12-jarigen per jaar. De populaire scholen zijn overwegend goed georganiseerd, bieden categoraal onderwijs (waar het kind níét kan afzakken van gymnasium naar vwo, van vwo naar havo of van havo naar mavo) en zijn wit. Zij hebben de concurrentiestrijd tussen middelbare scholen gewonnen. Die strijd woedt sinds 1998, toen de Onderwijsinspectie resultaten van individuele scholen ging publiceren en ouders opeens konden vergelijken.

Maar de druk van ouders op scholen groeit in het hele land. Rechtsbijstandverzekeraars Achmea en DAS zeggen elk jaar meer aanvragen van ouders te krijgen voor een rechtszaak tegen de school. Achmea had er vorig jaar 720 en DAS zou er ook honderden hebben gehad. Uit onderzoek van onderwijssocioloog Jaap Dronkers bleek eind vorig jaar dat vooral hoogopgeleide ouders leraren van groep acht onder druk zetten om hun kind hoger te adviseren voor de middelbare school. Dat advies is sinds dit jaar bindend, middelbare scholen moeten het ermee doen. Idee is dat de leerkracht de capaciteiten van het kind beter kan inschatten dan de landelijke Cito-eindtoets. Die uitslagen daarvan dienen sinds dit jaar louter nog om het gemiddelde succes van de basisschool te meten.

De Cito is minder waard geworden

De Cito-eindtoets was voor individuele kinderen al steeds minder waard geworden als voorspeller van hun schooltoekomst. Want ook daar haalden veel ouders alles uit de kast om hun kind te laten slagen: een half jaar naar de Cito-oefencursus, bijles op de basisschool. Haalde het kind een hoge Cito-score dan kon het naar het gewenste schooltype. Overigens zijn juist de goede, populaire middelbare scholen onverbiddelijk: haalt de brugklasser te lage cijfers dan wordt hij na een jaar weggestuurd. Dat overkomt elk jaar dus tientallen kinderen alleen al in Amsterdam.

Ouders zijn bang. Dat de basisschool hun kind te laag inschat. En dat het niet op een middelbare school terechtkomt waar het goed onderwijs zal krijgen van gemotiveerd personeel, met gemotiveerde klasgenoten. Dat het niet tot die 50 procent van de samenleving zal gaan behoren die naar hbo of universiteit kan. In Rotterdam draait deze concurrentieslag om zo’n vijf middelbare scholen, in Den Haag en Utrecht ook. Dezelfde strijd wordt geleverd in Haarlem, het Gooi, Nijmegen, Groningen, Eindhoven – overal waar concentraties hoogopgeleide ouders zitten.

„Het schooladvies in groep acht (11 jaar) bepaalt de rest van je carrière”, schreef macro-econoom en publicist Mathijs Bouman onlangs in Het Financieele Dagblad. „In de brugklas is er nog een laatste kans om te bewijzen dat de basisschool het verkeerd had, maar daarna is je pad uitgestippeld. Kinderen die zich wat later ontwikkelen dan gemiddeld, de dromertjes en snel afgeleide leerlingen, kinderen met een taalachterstand of afkomstig uit gezinnen waar studeren niet wordt aangemoedigd, ze zijn allemaal de dupe van deze vroege selectie. Doodzonde.” Ook hier het ‘rendementsdenken’ zo blijkt: middelbare scholen stellen hoge eisen aan doorstromers, want „iedere mislukking kost de scholen geld”. Bouman wijst erop dat het omhoog ‘doorstromen’, wat voor veel van dit soort kinderen een beproefde inhaalmanoeuvre was, daardoor afneemt. In 2010 stroomde 18 procent van de geslaagde mavo’ers door naar havo, in 2013 nog maar 13 procent.

Kind uit de luiers, ouders bang

Sommige ouders zijn al bang als het kind net uit de luiers is. Populaire basisscholen kunnen de enorme vraag niet aan, andere scholen mogen blij zijn als ze genoeg kleuters binnenkrijgen. Om de run op overmatig populaire (witte) basisscholen te beperken, heeft Amsterdam dit jaar ook voor basisscholen een centraal lotingssysteem ingevoerd: elk gezin moet de acht dichtstbijzijnde basisscholen opgeven aan een computersysteem en daar een rangorde in aanbrengen. Op die scholen heeft het kind voorrang; op scholen buiten de buurt is het kind kansloos omdat daar de kinderen uit díé buurt voorrang hebben. De computer koppelt de oudste kleuter aan de vrijvallende plekken bij die acht scholen. Broertjes en zusjes volgen de oudste en krijgen voorrang.

De centrale loting is het antwoord van de hoofdstad op de scheef gegroeide onderwijsmarkt. De computer verdeelt voortaan de schaarste. Niemand, behalve het CDA, durft te zeggen dat de Nederlandse vrijheid van onderwijs in Amsterdam eigenlijk is afgeschaft.