Hunkeren naar vruchtbare akkers

Mensen op de vlucht: het was in WO II niet anders dan nu. Veel Europeanen kwamen in Tanger terecht, ook Dola de Jong. Haar bitterzoete roman werd niet in de VS, maar hier wel vergeten. Gelukkig is die er nu weer.

Tekening Paul van der Steen
Tekening Paul van der Steen

Als we denken aan bootvluchtelingen, dan denken we nu aan Syriërs, Libiërs en Somaliërs op de vlucht voor ISIS en andere ellende, overgeleverd aan de grillen van mensensmokkelaars. Maar het is niet iets van de laatste tien of twintig jaar. Ook in 1940 werden mensen die hun vege lijf probeerden te redden al met veel te velen tegelijk in gammele boten gepropt door louche tussenpersonen.

In de opnieuw uitgegeven roman En de akker is de wereld, van Dola de Jong (1911-2003), krijgen we een indruk van het reilen en zeilen in de Noord-Afrikaanse havenstad Tanger tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tanger was een zogeheten Volkenbondstad, en viel onder internationaal protectoraat. Vluchtelingen uit diverse Europese landen stroomden er samen om van daaruit een veilig heenkomen te zoeken naar landen als Portugal, Indië en Amerika.

Dola de Jong, die zelf in het voorjaar van 1940 op haar 28ste uit Amsterdam vertrok, uit vrees voor de nazi’s, bracht noodgedwongen een jaar door in Tanger voordat ze naar Amerika kon varen. Daar zou ze, met een korte onderbreking, de rest van haar leven blijven. Over haar eigen ervaringen en die van andere ‘refugiés’ schreef ze in 1945 een Engelstalige roman, And the Field is the World. Twee jaar later verscheen haar eigen vertaling van het boek in Nederland. Later zou ze nog enkele romans schrijven, maar met En de akker is de wereld vestigde ze haar naam. In Amerika schijnt de roman na zeventig jaar nog altijd gedrukt en gelezen te worden, maar in Nederland raakten boek en schrijfster mettertijd in de vergetelheid.

Nu is het dus weer beschikbaar, met een nawoord van Eva Cossee, en met een opdracht aan vader, moeder en broer Jan die in Sobibor omkwamen. De vraag is natuurlijk of het de tand des tijds heeft kunnen doorstaan. De eerste bladzijden geven daar al meteen uitsluitsel over. Ja, deze oorlogsroman is nog altijd heel goed leesbaar en klinkt zelfs verrassend ongedateerd. De zinnen zijn kort en sprekend. En ook verder heeft De Jong veel te bieden: Afrikaanse sfeerbeelden, spannende verwikkelingen, schrijnende episoden, politieke achtergronden, botsende wereldbeelden en veel cynische terzijdes.

Chevrolet

We maken kennis met Aart en Lies, een avontuurlijk stel, dat met een ‘woonwagen’, een omgebouwde rode Chevrolet met een soort huif erop, Nederland heeft verlaten om in de Afrikaanse hitte een nieuw bestaan te beginnen. Onderweg krijgen ze niet alleen een baby, maar ontfermen ze zich ook nog over zes verweesde en verdoolde kinderen. Vijf van de zes kinderen zijn joods.

Dit merkwaardige gezin, van Nederlandse, Poolse, Belgische en Duitse afkomst, strijkt met de woonwagen neer bij een door Aart gehuurde akker. Op die akker proberen ze aardappels, groenten en fruit te verbouwen, door de kurkdroge aarde met man en macht van ’s ochtends vroeg tot zonsondergang te bevloeien met water uit een put. En hoewel al snel blijkt dat er op de dorre akker niets wil groeien, wil Aart van geen opgeven weten en spoort hij vrouw en kinderen steeds weer aan om door te gaan. ‘In wilde ijver pakten ze allemaal hun blikken en emmers op’, staat er dan, ‘zwoegden en sjouwden, verspilden het water aan de gierige aarde.’

De akker, zo begrijp ik het althans, symboliseert hier de onverschillige wereld die voor grote groepen mensen, ondanks al hun inspanningen, niets te bieden heeft. De Jong laat ons de verschoppelingen zien die geen loon naar werken krijgen: de Arabische bevolking van Tanger die permanent honger lijdt, en de oorlogsvluchtelingen die alles en iedereen hebben moeten achterlaten in de hoop ooit weer een nieuw thuis te vinden.

Het zijn niet alleen de nazi’s, de verraders, de spionnen en de geld- en machtsbeluste tussenpersonen die het lot van de Arabieren en de vluchtelingen bepalen, zo laat De Jong fijntjes doorschemeren. Het zijn ook de geallieerden, de Amerikaanse, de Britse en de Franse toezichthouders die een dubieus steentje bijdragen. Ze sluiten gemakshalve hun ogen voor de vele misstanden in Tanger en laten de ontheemden grotendeels aan hun eigen lot over.

Ook de droogstoppelige Nederlandse consul, de heer van Balekom, die hier met veel komisch vernuft wordt geportretteerd, stelt zijn eigen belang altijd voorop. Hij geeft het berooide gezin niet de toelage waar het officieel recht op heeft, maar stopt het vermoeid zuchtend af en toe een fooi toe. Of stuurt zijn vrouw met een tas vol kleren, zodat zij haar zelfbeeld ook weer even kan oppoetsen. ‘O, geven was zo heerlijk bevredigend.’

Kinderen

De roman klinkt steeds licht en koel, zodat de lezer niet kan worden afgeleid door te veel sentiment. Of het nu gaat om doorstane pogroms, om de onterechte gevangenneming van Aart of een wanhoopsdaad van Lies – alle narigheid wordt op een behoorlijk effen toon gebracht. Het leven gaat immers gewoon door, zeker voor kinderen die zich in elk lot blijken te kunnen schikken.

Mijn favoriete personage is de kleine, strijdbare Pierre, met zijn houten been, die dagelijks op een ezeltje naar school gaat. Hij heeft al heel wat krassen op zijn ziel, maar geeft de moed nooit op. Als hij zomaar een keer van een rijke dame een biljet van tien francs krijgt toegestopt, duizelt het hem van de mogelijkheden. ‘Hij had nog niet besloten wat te kopen. Een nieuw been of een geweer.’

De Jong tovert ons hier geen sprookjes voor, maar laat zien dat vooral jonge mensen elke strohalm vastgrijpen om verder te komen, nieuwe werelden met vruchtbaarder akkers tegemoet. Zo deed ze het zelf, begin jaren veertig, tenslotte ook. De oorlogstrauma’s en de gevoelens van ontheemdheid nam ze mee, maar ze wist een nieuw en lang leven te beginnen. Maar vooral werd ze in het vrije Amerika de schrijfster van een bittermooie bootvluchtelingenroman.