‘Historische personages zijn me liever dan fictieve’

Het favoriete boek van Margaret Thatcher was Frederick Forsyths roman over de moord op De Gaulle. „Beschouw mijn verhaal, ‘De moord op Margaret Thatcher’, maar als een eerbetoon aan haar favoriete boek.”

Hilary Mantel: Mijn korte verhalen horen tot het beste wat ik ooit heb geschreven’
Hilary Mantel: Mijn korte verhalen horen tot het beste wat ik ooit heb geschreven’ Foto Getty Images

Na vijf weken in New York is Hilary Mantel even terug in haar appartement in Budleigh Salterton, aan de zee bij Devon. Ze moet schrijven, haar uitgever wacht op haar nieuwe boek, het zou dit jaar uitkomen. Toch gaat ze binnenkort weer terug, voor de laatste voorstellingen op Broadway van het theatertweeluik van Wolf Hall en het vervolg Bring Up the Bodies. „Tussen Wolf Hall en Bring Up the Bodies moest ik een zware operatie ondergaan (Mantel lijdt aan een hevige vorm van endometriose, een invaliderende aandoening van de bekleding van de baarmoeder, red.) en toen heb ik het ook zes maanden druk gehad maar niet met schrijven. En toch heb ik het voor elkaar gekregen.”

Ze spendeert graag haar tijd aan het succes van haar wervelende historische romans over Thomas Cromwell, de rechterhand van Hendrik VIII – middeleeuws vorst, schoffeerder van de Paus van Rome en ladykiller in de letterlijke zin van dat woord. Vanaf de eerste repetities, nu twee jaar geleden, is ze nauw betrokken bij de stukken van The Royal Shakespeare Company: „Ik geniet er enorm van.”

Er is ook een veelgeprezen BBC-verfilming van Wolf Hall. Nou, die vond ze mooi, maar: „Zo’n tv-serie is onwrikbaar. Het theater niet. Ik blijf de acteurs bijtanken, en zij gooien mij ook steeds vol. Dat voedt het derde boek.”

Gisteren nog e-mailde acteur Ben Miles, die Cromwell speelt, dat hij wilde weten hoe het met Cromwellls geloof zit. „Goeie vraag, want dat is een raadsel.” Mantel zocht een antwoord en vond notities die ze vergeten was. „Als je even hebt, haal ik ze even.”

Ze komt terug met een velletje ringbandpapier. Ronde letters in zwarte inkt. Doorhalingen, toevoegingen. ‘ITALY’ staat erboven. Het zijn de gedachten van een ‘ik’. De gedachten van Thomas Cromwell, volgens Hilary Mantel:

I saw the ivory-nosed, wall-eyed virgins. I saw angels flying and crying at the same time. I understood that Christ’s blood ran in the blood-soaked fibres of the wood. I saw that Christ’s cross was the Tree of Life and this truth broke inside me and I was saved.

„Work in progress”, zegt Mantel. „Ik ga dit uitwerken voor het derde boek. Ik schreef het toen ik een fresco bekeek, waarvan ik weet dat Cromwell die heeft gezien. Was hij gelovig of niet? Ik las dit terug en dacht: de kunst dwingt hem tot een doorbraak naar religie. Oké, hij gelooft.”

Het ‘derde boek’ zoals ze het steeds noemt, zal The Mirror and the Light heten. Opvolger van Wolf Hall (2009), en Bring Up the Bodies (2012) waarmee Mantel twee keer achter elkaar de Man Booker Prize won – ze was de eerste Britse schrijver en de eerste vrouw die dat voor elkaar kreeg. Ze zal haar trilogie besluiten met de gevreesde en mysterieuze koninklijke raadsheer Thomas Cromwell (1485-1540).

Hoe is het met Thomas Cromwell? In het derde boek moet u hem ter dood laten brengen.

„Hij heeft vijf eeuwen overleefd, die houdt het nog wel even uit. Maar inderdaad, het is emotioneel. Historische personages zijn me liever dan de personages die ik verzon.”

En nu is Mantel haar eigen historische personage, met een hoofdrol in ‘De moord op Margaret Thatcher’, het titelverhaal van haar recente verhalenbundel. In 1983 zag ze vanuit het slaapkamerraam van haar Londense appartement hoe premier Thatcher het ziekenhuis verliet na een oogoperatie. Ze kon zich niet onttrekken aan de gedachte dat een scherpschutter vanuit die positie Thatcher makkelijk zou kunnen omleggen. „Ik dacht: dit is een verhaal. Maar ik wist niet hoe. Ik heb er al met al dertig jaar over gedaan.”

Het verhaal werd vorig jaar zomer in The Guardian gepubliceerd en leidde tot grote ophef. Een politicus dreigde Mantel bij de politie voor moord aan te geven. Ze was niet onder de indruk: „Je zou willen dat ze eens leerden wat fictie is. Nee, je zou eerst willen dat ze eens leerden na te denken.”

Die woede hangt samen met de herwaardering van Margaret Thatcher.

„Die herwaardering is beperkt, hoor. Zet één voet buiten de politieke elite en de mening over haar en wat zij het land heeft aangedaan is onveranderd. En we zijn nog steeds niet van haar af. Het huidige regime koestert haar erfenis. Ik ook, maar op mijn manier: toen Mrs. Thatcher naar haar lievelingsroman werd gevraagd zei ze The Day of the Jackal, de thriller van Frederick Forsyth over de aanslag op president De Gaulle. Beschouw mijn verhaal maar als een eerbetoon aan haar favoriete boek.”

U zet dit verhaal op zoals u uw historische romans opzet. Geef me één detail en ik vertel het verhaal, zei u in een eerder interview. Wat u hier vertelt, is niet gebeurd. Thatcher verliet wél dat ziekenhuis, maar werd níet vermoord.

„Het is altijd de moeite waard te laten zien hoe makkelijk de geschiedenis een andere loop had kunnen nemen. In dit verhaal vliegt er niet voor niets een wesp rond. Hij is er, hij is weg, hij wandelt over de vensterbank. Zal hij steken? Alles is in wankel evenwicht. De slotzin is niet: … en Mrs. Thatcher valt dood neer. We denken dat het gebeurt, maar weten het niet zeker.”

Hoe typeert u uw verhalen?

„Deze bundel heette aanvankelijk Ten Transgressive Tales. De uitgever wilde de Thatcher-titel. Die zal commerciëler zijn. Maar die eerste was accurater.

„Mijn korte verhalen behoren tot het beste wat ik heb geschreven. Ik ploeter er vaak lang op. Maar soms helemaal niet. Mijn dierbaarste verhaal is ‘Terminus’, en dat schreef ik zo ongeveer in de tijd die het neemt om het te lezen. Ik noteerde precies wat er gebeurde: ik zat in de trein, keek door het raam in de trein ernaast en zag een gezicht. Een bekend gezicht. Mijn vader. Niet mijn stiefvader, mijn échte vader. De vader die ik voor het laatst had gezien toen ik tien was. Ik kwam thuis, gooide mijn jas op de grond, ging zitten en begon te schrijven. Ik voelde me of ik in brand stond. Ik heb er nauwelijks meer iets aan veranderd. Toen ik ‘Terminus’ schreef, wist ik niet of mijn vader nog leefde. Hij was dood, hoorde ik later, maar nog niet zo lang.”

Hoe kwam u tot ‘Het Engelse instituut’? Dat verhaal is gloednieuw, een extraatje bij de Nederlandse vertaling van de bundel.

„Vorig jaar zomer reed ik vaak in de laatste trein van het theater in Stratford-upon-Avon naar huis in Londen. Het was koud, zelfs in de zomer is de trein ’s nachts altijd klam. Meestal lag er in de coupé een Evening Standard. Ik was meestal te moe om echt te lezen, maar niet voor die krant. Die las ik van voor naar achter, tot en met de schimmige advertenties voor onduidelijke baantjes. Daardoor zag ik glimpen van een kant van Londen dat ik niet had kunnen dromen en dat was het begin van ‘Het Engelse instituut’. Het is een verhaal over de mensen die direct in de privacy van hun werkgevers werken, en die tegelijk nauwelijks zichtbaar zijn.”

Het gaat over de dienstmeisjes, schoonmaaksters, kindermeisjes van de upper class.

„Londen begint te lijken op steden zoals ik ze ken uit het Midden-Oosten (Mantel woonde vier jaar in Saoedi-Arabië, red.). Een stad met horrorhuishoudens achter zijn mooie gevels, waar geïsoleerde vrouwen werken. Illegale immigranten in een omgeving die ze veroordeelt tot hulpeloosheid. Waar ze de taal niet of slecht beheersen. Waar hun papieren worden ingenomen door hun werkgevers, zodat ze niet kunnen opstappen. Waar ze hun geld niet krijgen. Waar ze seksueel worden misbruikt. En lopen ze weg dan stranden ze, want ze hebben geen documenten, geen status, geen naam.

„Alles draait om hun huidskleur. Je kunt het verpakken in allerlei verzachtende termen maar het is terugdeinzen voor de alien. En omdat hun werkgevers zich generen over de manier waarop ze ze behandelen, worden ze nog slechter behandeld. Uit schaamte.”

Een andere verschopte ‘alien’ is het mismaakte creatuurtje dat in een provinciaal hotel aanhobbelt achter een schrijfster die een lezing komt geven.

„Die bestaat, vrees ik. Ik ontmoette haar jaren geleden, in een provincieplaats waar ik een lezing moest geven. Ze was zo droef en ze klampte zich aan me vast. Ik wist niet wat ik met haar aan moest, ik wíst het gewoon niet. Ik wilde haar eigenlijk meenemen, maar dat ging weer te ver. Ze deed me denken aan een kind dat ik kende in Botswana toen ik daar werkte als onderwijzeres. Net zo’n wezentje, mismaakt, met haar hoofd scheef op haar nek. Dickelade heette die, wat Afrikaans is voor ‘Tranen’. Zij versmolt met het meisje in dit verhaal. Het is lang geleden dat ik haar ontmoette, maar ze is nog ergens en dat besef ik. Dit verhaal is een traan voor haar.”

Er is nog een mismaakte figuur in dit boek. In het verhaal ‘Komma’. Over twee vriendinnen van acht jaar.

That’s another gothic, die komt bij mijn moeder vandaan. Ze vertelde over een rijke familie in een groot huis in haar dorp. Die zouden een gruwelijk mismaakt volwassen kind verbergen. Ik heb het in de tijd verplaatst en verteld vanuit twee nieuwsgierige meisjes. Het zit vol autobiografische snippers, het ene meisje lijkt op mij. Ik voel me diep verbonden met mijn kindertijd, ik spring er zorgvuldig mee om. Mijn herinneringen zijn afgerond. Ze zijn misschien feitelijk niet accuraat maar zintuiglijk gesproken ontbreekt er niets. Ik weet niet meer in welk jaar iets gebeurde, maar wel hoe het voelde.”

Het meisje uit ‘Komma’ is een schrijver in de dop. Het lijkt of ze haar vriendinnetje verzint. En dan, jaren later, ziet ze haar ineens weer.

„Er zit zeker een idee in van de verteller die zich van haar oorsprong weg moet worstelen. Haar vriendinnetje verdween en zou na jaren weer opduiken, dat wist ik zeker. Maar hoe? De oplossing overviel me: ineens was ze een dakloze vrouw. En nog altijd heeft ze de macht. Ook al zegt ze niets, zij heeft het laatste woord. Zij besluit het verhaal door de verteller terecht te wijzen. Eigenlijk zegt ze: ik maak geen deel uit van jouw verhaal. Ik ben mijn eigen verhaal.”