Opinie

De man van 89 miljoen

Een verdachte die onrechtmatig 89 miljoen euro verdiende. Gisteren verscheen Bidjai P. voor de Rotterdamse rechtbank in de grootste Plukze-zaak uit de Nederlandse geschiedenis. Vermeende eigenaar van negen bedrijven, geboren in Suriname, met de Nederlandse nationaliteit. Vandaar dat hij hier al 2,5 jaar in detentie had gezeten voor het leiding geven aan een criminele organisatie. Hij zou, zo suggereerde het onderzoeksteam, de drugsmiljoenen van Bouterse hebben witgewassen.

Nu heeft hij er nogal last van „edelachtbare, dat de gemeenschap denkt dat ik al dat geld ergens heb staan”.

Binnen een paar minuten doemt de wereld van Elsschot op in de rechtszaal. Bedrijfjes die auto’s, levensmiddelen of champagne verhandelen, heten Drikko, Champagne Palace en Atlantic Impex. Ze leken te zijn gevestigd in een laan in Paramaribo, tevens woonhuis van Bidjai. Dat was het postadres, benadrukt de verdachte, de kluis was ergens anders, de productie ook. „Dat lijkt op een zekere verwevenheid”, concludeert rechter Jan van der Groen.

‘Ik kan het niet helemaal plaatsen”, antwoordt Bidjai, „maar het was praktisch.” Dat woord gebruikt hij steeds: ‘praktisch’ en ook ‘technisch’. „Ik werd aangetrokken om technische zaken goed tot uitvoer te brengen.” Iemand anders was de baas. Als de rechter een paar keer vraagt naar de cashopname van grote bedragen als 50.000 dollar en 200.000 dollar, antwoordt hij steeds dat die „als kasversterking” zijn meegenomen. „U moet het zien in de tijd waarin we leefden – de millenniumwisseling: chaotisch, met veel koersstijgingen en politieke onrust.”

Bidjai ziet er sjofel uit met zijn gekreukelde jasje en zijn ongeschoren wangen. Dat zie je vaker in ontnemingszaken, vertelt een geroutineerde rechtbankverslaggever me: ze doen hun oudste kleren aan en dan zie je ineens een duur horloge blinken.

„Het duizelt me”, zegt officier van justitie Kitty van den Brand. „Het is nogal een doolhof”, zegt de advocaat. „Het is complexe materie”, zegt de rechter. Als ik de rechter in de schorsing – toga uit, bekertje koffie – vraag of hij eerder zo’n gekke zaak onder handen heeft gehad, antwoordt hij: „Ja, mijn eerste zaak was de Zwolsman-ontneming.” Charles Zwolsman was een drugscrimineel die in 2000 62 miljoen aan de staat moest betalen.

De officier van justitie klaagt over de gebrekkige boekhouding. „En dat”, zegt ze, „is totaal ongeloofwaardig voor een zo goed florerend bedrijf.” Bij gebrek aan bewijs presenteert ze een „aannemelijke redenering” en eist desondanks van de verdachte 88.995.000 euro terug (een korting van 5.000 omdat de zaak al tien jaar voortsleept). Ze matst hem. „Mevrouw, u bent te goed”, zegt de rechter ironisch. Het is aan de verdachte, redeneert de officier van justitie, om aan te tonen waar het geld vandaan komt. De bewijslast ligt bij hem. Rumoer en gelach in de zaal. Een rechtszaak over zoveel geld die met zoveel nonchalance wordt afgehandeld. „Sinds wanneer moet een verdachte laten zien dat hij eerlijk zijn geld heeft verdiend”, zegt advocaat Nico Meijering. De rechter besluit de zaak aan te houden tot na de zomer.

Ik houd Bidjai nog even staande. Klopt het dat Desi Bouterse hem bij de presidentsverkiezingen van 2005 naar voren heeft geschoven? Hij schudt zijn hoofd. „Dat was mijn neef, die is nu minister van Openbare Werken. Ik ken Bouterse wel goed. Suriname, dat is een kleine wereld.”