‘De geur van koffie’. Hoe koffie ruikt? Lekker. Naar koffie.

‘We aten iets wat ongelukkigerwijze niet van ons bord zou verdwijnen voor we het hadden doorgeslikt’, schreef Kafka. Kathy Mathijs koppelt in Smaak literatuur en zintuiglijke ervaringen.

Foto Thinkstock
Foto Thinkstock

Ineens was-ie er weer, de geur van de cacaofabriek die over de wijk bij het Amstelstation in Amsterdam kon hangen. Mijn herinnering geeft me ook nog een vage wasmiddelgeur in – stond er ook een wasmiddelenfabriek of vond ik die cacaogeur ook enigszins naar waspoeder ruiken? Geen idee. Het geheugen geeft zijn raadsels op en blijkt voor de zoveelste keer geen databank.

Dát ik aan verdwenen geuren dacht kwam doordat ik zat te lezen in het boek Smaak van Kathy Mathys, een Vlaamse journaliste, in Nederland wonend, die over literatuur schrijft en over eten. En over koken, keukens, geuren en smaken. En over de woorden die we daar voor vinden of soms ook juist helemaal niet. Geuren bijvoorbeeld, daar hebben we weinig woorden voor schrijft Mathys. We gebruiken meestal woorden die horen bij andere zintuigen (zoet, fris) of we zeggen ‘de geur van…’ .

‘De geur van koffie’. Maar hoe koffie ruikt? Lekker. Naar koffie. Als-ie versgezet is tenminste, oude koffie ruikt buitengewoon smerig zoals Mathys ook opmerkt. Om nog maar niet te spreken van te hete of zelfs kokende koffie – die zurige lucht van iets waarvan je alleen maar vurig kan hopen dat niemand het je te drinken aan zal bieden. Sowieso kan koffie niet tegen zijn geur op: een kopje koffie is bijna nooit zo lekker als koffie ruikt. Dat geldt trouwens ook voor thee. En voor de geur van versgebakken brood.

Geuren kunnen ook benoemd worden op een manier die je helemaal niet aantrekkelijk vind. Mijn halfzusje stond een keer naast me terwijl ik basilicum sneed en trok vol walging haar neus op: ‘Het ruikt naar leverworst!’ Ze had gelijk. Basilicum ruikt een heel klein beetje naar leverworst. Sindsdien ruik ik het ook.

Terug naar het boek van Kathy Mathys. Dat is zo’n boek dat je heel makkelijk naar allerlei eigen ervaringen stuurt, omdat Mathys zich eindeloos veel vragen stelt over de zintuiglijke gewaarwordingen die te maken hebben met smaak. De vijf basissmaken krijgen er uiteraard ieder een eigen hoofdstuk in (umami is de vijfde). Daarnaast schrijft ze over ‘vettig’, ‘puur’, ‘pittig’, ‘onsmakelijk’ en, dat is een origineel onderwerp, over de smaak van het ouder worden, of van de ouder wordende mens. Ze heeft het dan onder meer over laatste keren waar je geen erg in hebt, zoals de laatste keer dat je met een slab om geprakt eten at, of de laatste keer dat je je spaghetti in kleine stukjes hakte of appelmoes met frites at. Dat is ook alweer zo’n gedachte die reeksen herinneringen oproept, of eigenlijk zijn het geen herinneringen maar vragen, want zulke laatste keren hebben immers nooit het aura gekregen van ‘dit is de laatste keer’. Andere laatste keren wel – de keer dat het zout van je tranen zich vermengde met de tomatensoep omdat dit de laatste keer was dat jullie samen soep aten, de achteraf bezien laatste keer dat je met een vriend at omdat hij daarna ineens stierf – de zuurkool waar hij vlot spekjes doorheen roerde, de rookworst, de geur van de gekookte aardappelen in de kelderwoning waar hij verbleef, ze ruiken in de herinnering allemaal naar het voorgoed voorbije.

Mathys schrijft dat die keer met die slab en dat geprakte eten best wel eens niet de laatste keer geweest kan zijn. Omdat je jezelf in de ouderdom op een dag wel eens zou kunnen terugvinden met zo’n slab om. En met afgetakelde smaakpapillen; na ons zeventigste vermindert het reukvermogen schrijft ze. Daarom doe je oudere mensen die klagen dat het eten ze niet meer smaakt, plezier met iets dat een pittige, duidelijke smaak heeft: citrusvruchten, gerookte paprika of chilipoeder kunnen het eten verlevendigen.

Mathys geeft bij alles wat ze schrijft verwijzingen naar romans en naar wetenschappelijke studies, ze moet ongelooflijk veel gelezen en geannoteerd hebben. Dat is ook meteen de zwakte van haar boek, ze noemt zó veel namen en titels dat ze aan citeren amper toekomt en je soms niet veel meer te horen krijgt dan dat Virginia Woolf hier ook over heeft geschreven. Daardoor, en door Mathys’ enigszins vlakke stijl, is Smaak geen boek om lang achter elkaar in te lezen, maar wel een om steeds weer een stukje uit te savoureren en gedachten en associaties hun kans te geven (nooit bij stil gestaan trouwens dat wij geen woord hebben voor het Franse saveur of het Engelse flavour). De vele verwijzingen kunnen ook als leessuggesties opgevat worden, dan kun je weer even voort. Er valt ontegenzeggelijk van alles op te steken uit dit boek.

Maar het meest memorabel is deze geweldige zin van Kafka: ‘We aten iets wat ongelukkigerwijze niet van ons bord zou verdwijnen voor we het hadden doorgeslikt.’