Opinie

Daders zonder spijt

Je ontvoert en vermoordt een politicus in koelen bloede. Vijfendertig jaar later mag je in een film uitleggen waarom je het gedaan hebt. Het resultaat was te zien op de Belgische zender Canvas: de documentaire Ils étaient les Brigades Rouges. Misschien heeft de maker, Mosco Levi Boucault, het niet zo bedoeld, maar ik vond het vooral een uiterst leerzame film over radicalisering.

Bij Boucault proefde ik een zeker begrip voor de Rode Brigades, een extreem-linkse terroristische groep, die vooral in de jaren zeventig en tachtig in Italië ongenadig huishield. Dieptepunt was in 1978 hun moord op Aldo Moro, leider van de christen-democratische partij.

Boucault liet vier ex-topmannen van de Rode Brigades terugkijken: Mario Moretti, Raffaele Fiore, Prospero Gallinari, Valerio Morucci. Zij hadden een groot aandeel in de gebeurtenissen rond Moro. Inmiddels hadden ze tientallen jaren in de gevangenis gezeten, een van hen (Moretti) moest zich daar nog steeds elke avond melden.

Ze waren vooral mededeelzaam over het ontstaan van de Rode Brigades. Niemand van hen had tot dan toe een criminele achtergrond. De Rode Brigades waren opgericht door studenten, later voegden zich er ook arbeiders en intellectuelen bij.

Moretti had in de provincie een technische opleiding gevolgd, kon geen werk krijgen en vertrok met miljoenen werkzoekende lotgenoten in de jaren zestig naar het noorden, Milaan, waar ze als fabrieksarbeider smerig en slecht betaald werk kregen. Ze begonnen zich te verzetten met betogingen en stakingen. Toen de vakbonden en politieke partijen het in hun ogen lieten afweten, nam een kleine minderheid het heft in eigen hand. Ze raakten slaags met de politie, er sloop steeds meer geweld in hun acties. „Er zat niks anders op dan te vechten”, zegt Moretti in de film, „stemmen loste niks op.”

Van kwaadheid tot steeds erger geweld - er vond een radicalisering plaats waarvan ze zich zelf nauwelijks bewust leken. Ze zagen het als een onvermijdelijke consequentie van hun verzet. De fascisten moesten gedood worden. Iedereen kon fascist zijn: de fabrieksdirecteur, de politieman, de journalist, de staat zelf.

Ze doken onder, leidden een solitair bestaan. In 1972 ontvoerden ze een topman van Siemens. Hij werd nog vrijgelaten, maar met Moro ging het anders. De onderhandelingen met de politieke partijen en de staat liepen vast en Moro werd na 55 dagen geëxecuteerd en in de kofferbak van een auto in Rome achtergelaten.

Over die moord zeggen de vier opvallend weinig. Niets over de besluitvorming, niets over de executie zelf. (Moretti zou de elf kogels hebben afgevuurd, las ik elders.) Wel is er een bandopname waarop Moretti een telefoongesprek voert met de vrouw van Moro. Hij legt haar nog eens uit wat de eisen zijn, vooral een uitruil met gevangen Brigadisten. Hij zegt dat hij „zijn verantwoordelijkheid moet nemen” als er niet naar hen geluisterd wordt.

Terugkijkend lijkt niemand spijt te hebben van zijn daden. Ze moesten wel. De vijand wilde niet luisteren. Jammer dan. „We namen onze verantwoordelijkheid om een weerloos man te doden”, zegt Moretti. Hij vindt kennelijk nog altijd dat de schuld bij de ánderen lag. Als die nu maar hun ‘verantwoordelijkheid’ hadden genomen, zou hij niet tot een moord gedwongen zijn. Een eigenaardige omkering van de werkelijkheid.

Radicalisering blijkt weer eens een ander woord voor verblinding.