Centrum van m’n wereld, maar niet in de zomer

Rotterdam is geen stad voor de zomer, maar voor herfst en winter, schrijft wereldreiziger Raoul de Jong.

Laatst vond ik een interview met mijn achttienjarige zelf in een krant uit 2003. Onder een portretfoto, druipend van de achttienjarige zelfoverschatting, staat de quote: „Waar ik woon als dertig ben? In New York of Amsterdam natuurlijk! Met honderden nieuwe vrienden waaronder Katja Schuurman.” Voor mijn 31 jarige zelf was dit best een schok: mijn beste vrienden zijn nog steeds mijn vrienden van de middelbare school (al heb ik Katja Schuurman vlak na dat interview ontmoet – ze had hair extensions). En ik woon nog steeds in Rotterdam. Niet eens in het centrum, maar in Rotterdam-Zuid.

Rotterdam is het centrum van mijn wereld, ik heb dat inmiddels geaccepteerd. Sinds mijn negentiende heb ik in de hele wereld afgereisd – ik reisde vier maanden door West-Afrika, trok met 50 dollar naar New York, reisde van Noord- naar Zuid-Italië, woonde twee maanden in Shanghai, liep van Lucca naar Rome, van de voordeur van mijn huis naar mijn moeder in Marseille (en schreef daarover in De grootsheid van het al) – maar uiteindelijk keerde ik altijd terug naar de plek waar voor mij alles ook begon.

Rotterdam: niet de mooiste stad op aarde, niet de stad waar ik het meest gelukkig ben, maar de enige stad die mijn stad is, de plek waar de mensen wonen van wie ik hou, waar ik begrijp wie ik ben. Negen maanden per jaar woon, leef en werk ik in en aan Rotterdam. Maar in de zomer krijg ik kriebels. Om mijn laptop dicht te klappen, de deur achter me dicht te trekken, over de stadsmuren te klimmen en te ontdekken wat daarbuiten is.

Er bestaan plekken waar je zonder chipknip door de stationshal kunt lopen. Waar mensen praatjes met je maken in de metro. Plekken waar geen stoplichten zijn. Of waar niemand op stoplichten let. Waar mensen zingen op straat. Waar mensen wonen in rieten hutjes. Of in bomen. Er zijn plekken waar mensen nog geloven in God. Plekken zonder wifi. Plekken waar mensen honden eten. Plekken waar mensen denken dat in Rotterdam iedereen gelukkig is. Plekken waar mensen leven naar de kalender van de maan. Waar je door het gras kunt rollen, naar de sterren kunt kijken en die sterren werkelijk kunt zíén. Plekken met bergen, zeeën, meren, rivieren en oceanen, woestijnen met kamelen, toendra’s met tijgers, wouden met toekans en kwakende kikkers, hertjes en vossen en beren en bloemen en bijen en bossen van bomen met ruisende blaadjes en onweer en bliksem en regen en wind.

Rotterdam is mijn stad, maar er is meer dan Rotterdam. En dat is juist het mooie: de wereld is zo groot. De winter is om thuis te zijn. De zomer is om uit te zoomen. Om al dat andere te ervaren en te zien. Om te beseffen dat je een keuze hebt, dat er niet één weg is naar geluk. Dat onze versie van de waarheid, maar één versie van de waarheid is. Soms begrijp ik hoe goed we het hier doen. Vaker begrijp ik hoe veel we hier nog niet hebben begrepen. En dat is goed. Het helpt om te weten wat ik doen moet als ik terugkom. Voor mezelf, voor de mensen van wie ik hou en voor de stad waarin ik leef.

Mark Twain zegt het mooi: „Twenty years from now you will be more disappointed by the things you didn’t do than by the ones you did. So throw off the bowlines. Sail away from the safe harbor. Catch the trade winds in your sails. Explore. Dream. Discover.

Dat is wat ik deze zomer zal doen. Onderzoeken. Dromen. Ontdekken. Naar het regenwoud van Suriname. Als alles goed gaat: met de boot. Wat ik daar zal vinden weet ik niet, maar wat ik zal vinden zal ik mee terug nemen naar hier. Rotterdam, mijn veilige haven, het enige kleine stipje op deze enorme planeet dat ik mijn ‘thuis’ kan noemen.